Preken
Inhoudsopgave preken:
Preek 4 juli 2010, Slotdienst Ruth 4
Preek 27 juni 2010 Ruth 3
Preek 20 juni 2010 Ruth 2
Preek 13 juni 2010 Ruth 1
Preek 30 mei 2010 Zondag Trinitatis
Preek 16 mei 2010 Ex. 23: 1-9 en Johannes 14: 15 – 21
Preek 13 mei 2010 Hemelvaartsdag
Preek 25 april 2010 Ex. 16: 28 – H. 17:7 en Lk. 24: 35-48
Preek 11 april 2010 Ex. 15,16 en Lk.24
Preek Paasmorgen 2010 Joh. 20: 1-18
Preek zondag 14 maart 2010 Ex. 7: 8-13 en Lk. 15: 11-32
Preek 7 maart 2010, 3de zondag 40-dagen tijd
Preek 28 februari 2010 2de zondag 40-dagen tijd
Preek 14 februari 2010 Valentijnsdag 1 Kor. 13
Preek 24 januari 2010 Hebr. 11: 39 t/m H. 12: 4
Preek 4 juli 2010, Slotdienst Ruth 4
Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Inleiding
Vandaag het slot van het verhaal van Ruth, die trouwt met Boaz.
Er zou boven kunnen staan: en ze leefden nog lang en gelukkig.
Wie had dat gedacht, aan het begin van dit verhaal, dat het zo goed zou aflopen?
Misschien zijn er ook onder ons mensen die op die manier verwonderd terug kijken en denken: het is toch nog goed geworden. Uit pijn wordt soms geluk geboren.
Even voor degenen die de eerste drie hoofdstukken gemist hebben:
Het verhaal begint met Elimelech, die getrouwd is met Naomi. (stamboom)
Ze trekken naar Moab, met hun beide zonen Machlon en Kiljon, omdat er in hun eigen land hongersnood heerst.
In Moab sterft eerst Elimelech, en daarna sterven ook de beide zonen.
Berooid, in de rouw en intens bedroefd keert Naomi terug naar haar eigen land.
Eén van haar schoondochters gaat met haar mee.
Ze heet Ruth, ze is een Moabitische, maar ze laat haar ouders, haar land, haar godsdienst en alles achter om voor haar schoonmoeder te zorgen.
Ze gaat aren oprapen, die op het land zijn blijven liggen.
Dat was in Israel het recht voor de armen, God had dat zo ingesteld.
Daar komt ze terecht op het land van Boaz. En die is nog familie van Elimelech.
Boaz komt in aanmerking als losser. Dat betekent dat hij het land van Naomi kan kopen, zodat het in de familie blijft en zodat Naomi wat geld heeft om van te leven.
Hij zou ook nog in aanmerking kunnen komen voor het leviraathuwelijk, het zwager -huwelijk. Daarbij verplichtte een broer of ander familielid zich om te trouwen met de weduwe van zijn broer. Het kind dat uit zo’n verbintenis werd geboren, gold als oudste zoon van de overledene en zou later alles van zijn vader erven.
Boaz wil wel als losser optreden, blijkbaar heeft hij liefde opgevat voor Ruth, maar er is 1 probleem. Er is een familielid dat nog dichterbij staat. Die moet eerst gepolst worden. Als die als losser wil optreden, dan moet Boaz hem vóór laten gaan.
Zover zijn we gekomen in het verhaal.
De andere losser
Boaz wil duidelijkheid in deze zaak. Hij gaat dus ’s morgens heel vroeg naar de stadspoort. Daar moest iedereen doorheen die naar het land ging om te werken.
Daar zou hij dus die andere man wel treffen, dacht hij.
En dat was ook zo.
Hij roept hem bij zich, en legt hem de zaak voor.
De man lijkt redelijk genoeg, hij wil zijn plicht wel doen en Naomi helpen.
Dat is aardig van hem. Want als hij lang genoeg wacht zal het land vanzelf wel van hem worden. Hij is immers de dichtstbijzijnde mannelijke erfgenaam.
Maar hij snapt wel dat Naomi intussen toch ergens van moet leven.
Goed, zegt hij daarom, ik zal het land wel kopen.
Het land zal wel zwaar verwaarloosd zijn geweest, al die jaren dat Naomi en Elimelech in het buitenland hebben gewoond.
Maar de man is de beroerdste niet, hij zal zijn plicht wel doen en het land kopen.
Maar dan komt Boaz met nieuwe informatie.
Als je dat doet, zegt hij, besef dan dat je er ook Ruth bij krijgt, de weduwe van Machlon. En als je je plicht tegenover haar vervult, dan erft haar zoon later alles.
Minimum-gelovige
Kijk, en dat verandert de zaak natuurlijk.
De man is een fatsoenlijke kerel en hij laat zijn oud-tante Naomi niet stikken.
Maar hij moet natuurlijk ook aan zijn eigen belang denken.
Eerst met Ruth trouwen, haar onderhouden en de oude Naomi erbij natuurlijk.
Dan hard werken om een jarenlang verwaarloosd bedrijf weer op te bouwen.
En dan zou die zoon, die nog geboren moet worden, alles erven?
Dat is toch echt teveel gevraagd.
Dan zou hij een dief van zijn eigen portemonnee worden.
Hij wil leven volgens Gods geboden, zeker.
Maar alleen als dat niet nadelig is voor hem,natuurlijk.
In één van mijn boeken wordt hij een ‘minimum-gelovige’ genoemd.
Zo’n gelovige zoals wij zelf er vaak één zijn. We zijn fatsoenlijk en doen onze plicht.
We weten best dat God graag wil dat we hier zo vaak als mogelijk bij elkaar komen. Als je zomaar wegblijft, word je gemist door de anderen. Maar als je nou geen zin hebt? Het gaat er toch vooral om dat je er een goed gevoel bij hebt? Of niet?
En natuurlijk moet je eerlijk zijn, als christen. Maar met een beetje creatief boekhouden kun je soms duizenden verdienen. En zwartwerken, ach… iedereen doet het. Zou God dat nou echt zo erg vinden?
Je snapt best dat er mensen nodig zijn om het werk in de kerk te doen. Maar je hebt het al zo druk, en eerlijk gezegd vind je die dominee ook niet zo’ n succes. God mag nog blij zijn dat je af en toe komt. Je leeft verder toch netjes?
Nee, eerst ik, en wat ík wil. De kruimels die overblijven, die geven we aan God.
Minimum-gelovigen, dat zijn wij op z’n tijd allemaal wel eens.
De man in de poort wil best zijn plicht doen, maar het moet niet te gek worden.
Nee, zegt hij tegen Boaz, als het zo ligt, koopt u die akker dan maar.
Boaz
En dan roept Boaz de 10 oudsten in de poort tot getuige van wat hij nu gaat zeggen.
Het roept herinneringen op aan Sodom waar geen 10 rechtvaardigen meer waren.
Alleen Lot werd gespaard, met zijn vrouw en dochters. U kent dat verhaal wel. Met Abraham, die pleit voor Sodom. Hij denkt dat er vast nog wel meer rechtvaardigen in die stad wonen, maar het blijken er nog geen 10 te zijn.
Daarom kan bij de Joden een eredienst pas doorgaan als er 10 gelovigen bij elkaar zijn. 10 getuigen zijn er nu, als Boaz zijn voornemen uitspreekt om alles wat Naomi bezit van haar te kopen. En om Ruth tot vrouw te nemen. En om de hoop uit te spreken dat zij een zoon zal krijgen, die de naam van haar overleden man zal doen voortleven bij zijn familie en in de stad en in Israel.
Wat is hij grootmoedig, die Boaz. Hij is geen minimum-gelovige.
Hij denkt niet allereerst aan zijn eigen belang, maar aan wat de HERE wil.
Hij vervult de wet met vreugde, niet alleen omdat het moet.
Natuurlijk zal het geholpen hebben dat hij liefde opgevat heeft voor Ruth.
Liefde helpt altijd, bij alles.
De mannen in de poort vinden het heel goed wat hij doet en ze houden een soort preek. We hopen dat die vrouw die in jouw huis komt, als Rachel en Lea zal zijn, zeggen ze. Rachel, de meest geliefde, en Lea, de meest vruchtbare.
En alsof dat nog niet genoeg is, halen ze ook Tamar er nog bij, en Juda.
Een beetje pijnlijk, deze namen. Juda had bepaald niet uit liefde voor God zijn plicht gedaan. Ze waren hem min of meer overkomen, de kinderen die Tamar, zijn schoon-dochter hem baarde. Tamar, ook al een buitenlandse.
Een zoon voor Naomi
Boaz zal al die goede woorden beleefd aangehoord hebben.
Hij popelde vast om naar Ruth en Naomi te gaan, en hen het goede nieuws te vertellen. Ruth wordt zijn vrouw, zij wordt zwanger, en ze baart een zoon.
En dan lijkt het wel of Ruth en Boaz verder uit het zicht verdwijnen.
Zij hebben hun rol gespeeld, gedaan wat ze moesten doen, en nu valt het licht weer vol op Naomi. Op Naomi, die dacht dat haar leven voorbij was. Dat ze eigenlijk voor niets had geleefd. Dat er geen toekomst was voor haar. Ze had immers geen kind.
De buren komen en spreken hun gelukwensen tegenover Naomi uit: gefeliciteerd hoor, zeggen ze, geprezen zij de HEER die jou vandaag een zoon gegeven heeft.
Iemand om voor je te zorgen op je oude dag. Iemand die jouw naam en die van je man zal doen voortbestaan. Wat heb je toch een geweldige schoondochter, ze is meer waard dan zeven zonen, ze heeft jou weer een toekomst gegeven.
En ze noemen het kind Obed. En dat betekent: dienstknecht.
Een vreemde naam voor een kind, maar heel passend voor dít kind.
Want vanaf het begin is duidelijk waarom dit kind geboren is en wat zijn taak zal zijn: hij draagt de naam van Naomi en Elimelech, van Machlon, hun zoon.
Hij is echt een kleinzoon van Naomi, en deze jongen brengt de vreugde weer terug in haar leven. Geprezen zij de HEER, de God van Israel. Hij werkt achter de schermen, Hij keert het kwade ten goede. Hij zorgt voor een toekomst.
Tenslotte
Want de naam van Ruth en van Naomi, van Boaz en van de kleine Obed, ze leven voort. Terwijl de naam van die andere losser niet eens genoemd wordt.
Hij is niemand, die minimum-gelovige. Terwijl Obed, de dienstknecht, later de vader wordt van Isaï en Isaï wordt de vader van David. Uiteindelijk wordt uit hun geslacht de Messias geboren, de HEER Jezus. Wat gaat God toch verrassend te werk. Wij hoeven nooit te denken dat God ons niet kan gebruiken. Hij kan iedereen gebruiken. We hoeven ons alleen maar beschikbaar te stellen.
Tegen Abraham zei God dat hij zijn nageslacht zou zegenen tot in het duizendste geslacht. Als ze Hem tenminste wilden dienen. En Hij doet wat Hij beloofd heeft.
Want kijk nu eens wie er voorrang krijgen in de plannen van God.
Kijk nu eens wie er in de stamboom van Jezus worden opgenomen.
Tamar, die buitengewoon dubieus handelde, toen ze haar schoonvader verleidde en zwanger van hem werd. Tamar, die buitenlandse, die tot stammoeder werd.
Boaz, die een kleinzoon was van Rachab, een hoer, die in Jericho woonde, en die de verspieders hielp om de stad in te nemen. Wij zouden haar niet in ons midden hebben gewild, zo’n vrouw, maar ook zij wordt door God ingeschakeld.
Ruth, de buitenlandse, een Moabitische. Zij is er één van de stam Moab, en dat is het volk dat ontstaan is uit Lot, de neef van Abraham. Toen hij wegvluchtte uit Sodom, ging hij wonen in het bergland. Er woonde daar verder niemand. Zijn beide dochters werden zwanger van hem. Wij hadden met zulke mensen misschien niet willen omgaan, maar God wel. Hij kan iedereen gebruiken.
Als je je maar beschikbaar stelt. Als je maar dienstbaar wilt zijn.
Als je maar niet altijd je eigen plannen belangrijker vindt dan die van God.
Als je er maar op durft te vertrouwen dat God het vaak beter weet.
Als…als…Laten we ons bekeren, vandaag nog.
Ons bekeren tot de levende God, die op zoek is naar u en mij. Naar mensen die willen meewerken aan zijn plannen. Mee willen bouwen aan zijn koninkrijk hier op aarde. Dan zullen we lang en gelukkig leven. Amen.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Inleiding
Het derde deel van het verhaal van Ruth. Het wordt spannend vandaag.
In het eerste deel hoorden we hoe Naomi en Elimelech met hun beide jongens naar Moab gingen, ivm de hongersnood in het joodse land.
Elimelech stierf in Moab, dat was al een drama.
Maar de beide jongens trouwden daarna met Moabitische meisjes. Het had nog goed kunnen worden allemaal. Maar het ongeluk achtervolgde dit gezin, leek het wel.
De beide jonge mannen stierven ook, allebei. En er waren geen kinderen.
Verbitterd keert Naomi terug naar haar eigen land.
Eén van de schoondochters gaat terug naar haar ouderlijk huis.
Maar de andere, Ruth, gaat met Naomi mee. Uw volk is voortaan ook mijn volk, zegt ze. En uw God is mijn God. Het klinkt als een belijdenis.
Om in leven te blijven gaat Ruth aren verzamelen die afvallen bij het samenbinden van de schoven. Dat was een recht van de armen, door God zelf ingesteld.
Toevallig komt ze terecht op het land van Boaz.
En laat die nou nog in de verte familie zijn van Elimelech, de man van Naomi.
Hij komt dus evt. in aanmerking om als losser op te treden. Om het land van Naomi te kopen, zodat het in de familie blijft en zodat Naomi wat geld heeft om van te leven.
Hij zou ook nog in aanmerking kunnen komen voor het leviraathuwelijk, het zwager -huwelijk. Daarbij verplichtte een broer of ander familielid zich om te trouwen met de weduwe van zijn broer. Het kind dat uit zo’n verbintenis werd geboren, gold als oudste zoon van de overledene en zou later alles van zijn vader erven.
Naomi durft aan die laatste mogelijkheid haast niet te denken.
Wie zit er nu op te wachten om te trouwen met de weduwe van een verre neef.
Een buitenlandse nog wel! Nee, dat zou te mooi zijn om waar te zijn.
Pinksterfeest - oogstfeest
ntussen lijkt er toch wel iets te groeien tussen Boaz en Ruth.
Boaz is buitengewoon vriendelijk voor Ruth. Hij spreekt zijn waardering ervoor uit dat zij haar schoonmoeder niet in de steek heeft gelaten, maar dat zij dag aan dag aren komt oprapen, zodat er genoeg brood op de plank is. En hij zorgt ervoor dat zijn maaiers wat extra halmen laten liggen. En Ruth mag uit zijn waterkruiken drinken.
Tja, alles goed en wel, maar intussen is de gersteoogst al voorbij en het einde van de tarweoogst komt in zicht. Een periode van ongeveer 50 dagen.
Zo ongeveer tussen Pasen en Pinksteren.
Daarom wordt het boek Ruth ook altijd gelezen op het Joodse Pinksterfeest, dat van oorsprong een oogstfeest was.
Een aardige gedachte dat de joden die in het jaar 33 in Jeruzalem waren, t.t.v. het joodse Pinksterfeest, dit boekje zojuist gelezen hadden. Van die vreemde vrouw die bij het joodse volk aanschuift. Die er ook bij wil horen. En daarover ging het juist in het Pinksterfeest dat toen aanbrak: de Geest van God voor alle mensen die hem liefhebben, de taal van de liefde die iedereen verstaat. Het geluid van een geweldige windvlaag die heel het huis vervult. Wij lezen dat verhaal altijd met Pinksteren, het staat in het boek Handelingen. Maar terug naar Ruth en Naomi.
Want de tarweoogst is bijna gedaan, en straks zal de gelegenheid voorbij zijn om Boaz op een gemakkelijke manier aan te spreken.
Afwachten of iets doen
Waarom doet die man niets?
Weet hij niet dat hij familie is van Elimelech? Wacht hij op een ander familielid om de plichten van de losser op zich te nemen? Denkt hij dat Ruth hem misschien niet zo ziet zitten, is hij te oud? We weten het niet.
Ruth gaat gewoon rustig haar gang, zij houdt vol, ook al is er nog geen uitkomst.
Dat kunnen wij van haar leren: gewoon doorgaan, ook al zie je nog geen verhoring.
Niets forceren, niemand dwingen, afwachten tot de tijd rijp is.
Maar ja, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan
Wat doen wij, als onze toekomst onzeker is?
Bidden, natuurlijk. Alles in Gods handen leggen, en dan: uw wil geschiede zeggen.
Maar soms moeten we toch ook knopen doorhakken?
Of durven wij wel rustig af te wachten als er ontslag dreigt? Als we een ziekte onder de leden hebben? Als onze relatie onder spanning staat? Als…
De eeuwen door hebben mensen daarmee geworsteld.
Wanneer moet je afwachten tot God ingrijpt en wanneer moet je zelf iets doen?
Voorbeelden
In de Bijbel lezen we vaak over zulke moeilijke beslissingen:
- Sara besluit dat God zich waarschijnlijk vergist heeft, toen hij Abraham een zoon beloofde, en daarom probeert ze het op haar eigen manier, door haar slavin aan Abraham als vrouw te geven. Er komt grote narigheid van.
- Rebekka grijpt in als haar man Isaäk de grote zegen aan Esau dreigt te gaan geven. Dat moet Jacob zijn, dat heeft God zelf haar gezegd. Ze verzint dat plannetje met die bedriegerij van Jacob. Het lukt. Jacob krijgt de grote zegen van Isaäk, maar hij moet direct vluchten voor Esau.
- Tamar, die ik vorige week nog noemde. Tamar die lang wachtte totdat haar schoonvader zijn belofte zou houden. Maar toen ze zag dat hij dat niet deed, toen nam ze het recht in eigen hand. En haar plan lukte. Zij wordt in het volgende hoofdstuk nog genoemd. Want ik ben niet de enige die hier aan Tamar denkt. Ook de mannen in de poort, daar bij Boaz, denken aan haar.
Het plannetje van Naomi
Ziet u wel dat Bijbelverhalen ook over ons gaan?
Naomi is net als wij. Ze denkt: op deze manier kan het nog lang duren voor er een oplossing komt voor Ruth en voor mij. Straks ben ik er niet meer en is Ruth alleen. Wie zal dan voor haar zorgen?
En ze maakt een plan om duidelijkheid te krijgen. Een plan met een behoorlijk risico. Ruth moet zich mooi maken, haar rouwtijd is voorbij, dus dat kan.
Ze moet zich baden, met olie zalven, mooi aankleden en zo, als een bruid die voor haar man versierd is, moet ze naar de dorsvloer gaan waar Boaz nog aan het werk is. Ze moet wachten tot hij klaar is en ze moet goed opletten waar hij gaat slapen. Dan moet ze voorzichtig naar hem toe sluipen en aan zijn voeteneind gaan liggen. En dan is het verder in Gods hand, nee, dat zegt Naomi niet. Zo vroom is zij niet. Dan is het verder aan Boaz om je te zeggen wat je moet doen. Dat zegt ze.
Is Naomi hier een sluwe oude koppelaarster, met een heel slim plannetje om een rijke schoonzoon aan de haak te slaan? Of is ze er vooral op gebrand om nageslacht te krijgen dat de naam zal dragen van haar overleden man, haar overleden zonen? Wie zal het zeggen?
Het werk van God en van mensen loopt wel vaker behoorlijk door elkaar heen.
Ruth
Ruth doet gehoorzaam wat haar schoonmoeder zegt, maar haar hart zal wel in haar keel geklopt hebben. Hier hing veel van af, hier hing misschien wel alles van af.
Een joodse uitleg zegt: de engelen in de hemel hielden die nacht de adem in: hoe zou dat aflopen?
Twee mensen van niet-joodse komaf, want Boaz was een kleinzoon van Rachab, de hoer, die bij het innemen van Jericho de verspieders had geholpen. En Ruth is een Moabitische, één van het volk dat niet eens in het heiligdom van de joden mocht komen. Ruth legt zich aan het voeteneinde van Boaz neer. Niet naast hem, dat was de plaats voor de echtgenote. Maar aan het voeteneinde, de plek voor de slavin. Als Boaz midden in de nacht wakker wordt, en vraagt wie daar is, zegt Ruth dan ook: ik ben Ruth, uw dienstmaagd. Spreid uw vleugels over mij uit, want u bent mijn losser. Het is jammer dat dat in onze vertaling wegvertaald is. Dat woord “slavin” of “dienstmaagd”, want dat moet ons op het spoor zetten van Maria, die tegen de engel zegt: zie, de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord. Maar ook wegvertaald is dat Ruth zegt: sla uw vleugels over mij uit. Terwijl in het vorige hoofdstuk Boaz tegen Ruth gezegd heeft: moge de HEER, de God van Israel, onder wiens vleugels jij een toevlucht hebt gezocht, je belonen. Zo kan de bescherming door God via mensen gaan. Ruth zoekt bescherming onder Gods vleugels, en Boaz slaat zijn deken om Ruth heen.
Boaz
Boaz reageert zo liefdevol, zo vol respect. Hij doet net alsof niet hij Ruth een gunst moet bewijzen, maar alsof hij het een voorrecht vindt om haar te mogen helpen. Wat vind ik dat lief van je, zegt hij. Dat je niet achter andere, jongere mannen aanloopt, maar dat je het via de weg van de losser, de weg van de wet des Heren probeert te doen. Blijf maar hier liggen, Ik zal je graag helpen. Maar er is nog iemand anders die de eerste rechten heeft. Ik ga er morgen meteen werk van maken. En zo gebeurt. Ruth blijft aan Boaz’ voeteneinde liggen tot het een beetje licht wordt en dan gaat ze naar huis, om verslag uit te brengen bij Naomi. Maar ze krijgt een bruidsschat mee van 6 maten gerst. Nu hoeven Ruth en Naomi niet meer te twijfelen of Boaz wel serieus van plan is zijn belofte na te komen. Die 6 maten gerst zijn een voorschot van wat zeker nog zal komen. Nu weten ze zeker dat Boaz hen welgezind is.
Tenslotte
Zo, op deze manier, spreekt Jezus later over de gave van de Heilige Geest. Dat is een voorschot op wat nog komt, zegt Hij. Ik geef je de Heilige Geest om je te troosten, te bemoedigen, te steunen. En om je zeker te laten weten dat ik je welgezind ben. Dus als je merkt dat de Heilige Geest aan het werk is in je leven, dan mag je er zeker van zijn dat de rest, de vergeving van de zonden, het wonen bij God, het eeuwige leven, ook nog komt. Ruth gaat blij naar huis. Ze vertrouwt er vast op dat Boaz zijn belofte zal nakomen. Vertrouwen wij zo vast op Gods beloften, als wij zien dat Hij ons zo nabij is, door zijn woord en Geest? Naomi vertrouwt ook vast op Boaz. Nu kunnen we rustig afwachten, zegt ze. Ik weet zeker dat deze man niet zal rusten voordat hij deze zaak geregeld heeft. En zo gebeurt het ook. Volgende week de slotscene van dit verhaal, dat ook ons verhaal is. Want de God van Naomi en van Ruth en van Boaz is ook onze God. Amen.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Inleiding
Vorige week het eerste hoofdstuk van het boek Ruth. Daarin hoorden we over Naömi en haar man Elimelech, die wegtrokken uit Bethlehem, omdat er hongersnood was. Ze gingen naar het land Moab, en ze woonden daar 10 jaar. Maar de rampen achtervolgden hen, leek het wel. Eerst stierf Elimelech, de man van Naömi. En kort nadat haar beide zonen getrouwd waren, met meisjes uit dat land, stierven ook de beide jongens. Zonder kinderen na te laten. Daar zat Naömi nu, zonder haar man en zonder haar zonen. Van haar schoondochters gaat er één terug naar haar moeder. Maar de andere, Ruth, blijft bij haar en samen gaan ze de weg terug. Terug naar Bethlehem, waar de hongersnood voorbij is. En ze komen aan bij het begin van de gersteoogst.
Boaz
Aan het begin van het 2de hoofdstuk, dat we vandaag gelezen hebben, wordt ons alvast verteld dat de overleden man van Naömi nog familie had in het land, en dat één daarvan een belangrijk man was. Hij heette Boaz. Als lezer denk je: ja, en? Waarom moet ik dit weten. Maar verderop in het verhaal duikt deze Boaz natuurlijk weer op. Dus onthoud die naam: Boaz. Naömi en haar schoondochter Ruth proberen rond te komen van het beetje geld dat ze uit Moab hebben meegenomen. Maar het valt niet mee. Elk dubbeltje wordt 3 keer omgedraaid, maar waar geen geld binnenkomt, alleen maar uitgaat…dat houdt een keer op. Naömi heeft natuurlijk het stuk land van haar overleden man, maar als ze terugkomt uit Moab is de zaaitijd allang voorbij. Daar heeft ze dit jaar niets aan. Ruth ziet wel dat de arme mensen om hen heen dag in dag uit de akkers van de rijke boeren afstruinen, op zoek naar aren die zijn blijven liggen. Naömi legt haar uit dat hun God dat zo geboden heeft: dat de boeren bij het oogsten niet alles mochten oprapen, maar dat ze wat moesten laten liggen voor de armen. En dan besluit Ruth om dat ook te gaan doen.
Het toeval wilde…
Het toeval wil, staat er, dat zij terecht komt op het land van Boaz. Toevallig zeg… Veel christenen keuren dit woord niet goed: toeval bestaat niet, zeggen ze. God leidt alle dingen. En ze hebben gelijk. En toch gebruikt ook Jezus deze uitdrukking een keer, als hij vertelt over die man die afdaalde naar Jericho en die toen overvallen werd door rovers. Bij toeval daalde daar een priester af langs die weg, zegt Jezus. En later een Leviet. En nog weer later een Samaritaan. Toevallig hoor… Wie heeft er nog nooit zoiets meegemaakt, zo toevallig dat je het bijna niet kunt geloven. Iemand krijgt een ongeluk en toevallig rijdt er een dokter achter hem, die hem helpt. Iemand ligt in het ziekenhuis naast een vroegere schoolvriend, die hij allang uit het oog was verloren. Toevallig of niet? Wat komt van God en wat van het lot? Wij weten het niet. Wij hebben geen toegang tot Gods gedachten en daarom is er veel dat wij nooit kunnen begrijpen. Bij toeval komt Ruth op de akker van Boaz terecht. Hoe is het mogelijk. En Ruth gaat daar aren lezen, aren verzamelen. Achter de maaiers aan. Na een poosje komt Boaz zelf naar het werk kijken en je hoort aan alles dat hij een goed en vriendelijk man moet zijn. Hij wekt niet de indruk dat hij zijn mensen opjaagt. Vriendelijk groet hij ze: de HEER zij met jullie. En zij groeten terug: de HEER zegene u. Ze lijken hem te mogen.
Ruth
En zo komt het contact op gang tussen Boaz, de rijke boer, het familielid van Elimelech, en Ruth, de Moabitische, de schoondochter van Naömi. Heel toevallig. Boaz is een opmerkzaam man. Hij ziet meteen dat er een nieuweling op het veld loopt, een onbekende vrouw. Wie is dat, vraagt hij de voorman. En die vertelt hem dat ze de schoondochter is van Elimelech, die in Moab gestorven is. Dat ze hierheen is gekomen met Naömi, haar schoonmoeder. En dat ze de hele dag al hard gewerkt heeft om aren te verzamelen. Boaz is geroerd door dat verhaal en gaat naar Ruth toe. Hoor eens, zegt hij, ik vind het heel goed wat je doet. Blijf maar dicht bij de vrouwen die voor mij werken. En ik zal tegen mijn mannen zeggen dat ze je niet lastig mogen vallen. Als je dorst hebt, dan neem je maar water uit onze kruiken. Dat mag wel. Ruth is zo blij en opgelucht. Maar ze is ook verbaasd. Waarom bent u zo goed voor mij, zegt ze. Ik ben maar een buitenlandse!
Voorbeeld
Ik moest hier ineens denken aan dat klooster waar ik eens was. Ze hadden daar veel moeite om een goede schoonmaakhulp te vinden. En toen was er een moslimmeisje gekomen. Die wilde wel schoonmaken. Of ze dan wel haar hoofddoek mocht omhouden. Kind, had de moeder-overste gezegd, kind, wij hebben allemaal een hoofddoek om hier, een sluier. Je zou hier juist opvallen zonder hoofddoek. Wat bent u aardig, had het meisje verbaasd gezegd. Dat had ze niet verwacht. Maar voor mij ben je een geschenk uit de hemel, had de moeder-overste gezegd. Een moslimmeisje als geschenk uit de hemel. Dat kan dus best.
Gastvrij
Ook Boaz ziet dit buitenlandse meisje als een geschenk uit de hemel. Het blijkt dat hij al best veel van Ruth af weet. Hij weet dat zij veel voor haar schoonmoeder heeft gedaan, sinds de dood van haar man. Dat hebben ze hem verteld. Hij weet dat ze haar eigen land heeft verlaten en haar ouders, om naar een vreemd land te gaan, naar een volk dat ze niet kende. Allemaal uit liefde voor haar schoonmoeder, die ze niet aan haar lot wilde overlaten. Boaz zegt niet: alsof we zelf niet genoeg armen hebben, nu pik jij ook nog hun baantjes in, jij hoort hier niet, waarom ga je niet terug naar je eigen land? Hij zegt heel wat anders, hij zegt: moge God je zegenen. Die God onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht. Zouden wij dat ook kunnen? Mensen uit een ander land, met een andere godsdienst, verwelkomen in de naam van die God die wij dienen en vereren? Zouden ze, als wij zo vriendelijk deden als Boaz, niet op het idee komen dat onze God wel een vriendelijke God moet zijn?
De losser 1
Ruth werkt de hele dag hard op het veld van Boaz. Boaz helpt haar een handje. Hij zegt tegen zijn maaiers dat ze expres een beetje slordig moeten zijn bij het samenbinden van de schoven. Laat maar wat aren liggen, zegt hij, dan heeft Ruth des te meer vanavond. Hij gaat het haar niet weggeven, ze moet er wel voor werken. Maar hij zorgt ervoor dat ze haar werk met vreugde kan doen. Als de dag voorbij is, slaat ze de halmen uit, en dan heeft ze een efa gerst, dat is 45 liter, dat is ongeveer 36 grote koppen vol gerstekorrels. Dat is veel. Ze haast zich terug naar huis, naar Naömi en wat is die blij! Hoe is het mogelijk, zegt ze. Zoveel! Waar ben jij in ’s hemelsnaam geweest? En dan vertelt Ruth alles wat ze heeft meegemaakt en hoe vriendelijk Boaz voor haar is geweest. Naömi slaat haar handen ineen: hoe is het mogelijk, zegt ze, wat toevallig! Op het veld van Boaz nog wel en die is nog verre familie van ons. Hij komt in aanmerking als onze losser. En daarna heeft ze Ruth ongetwijfeld uitgelegd wat een losser was.
De losser 2
We vinden dat gebod van de HEER in Deut. 25: 5-10. Daar staat dat een man met de vrouw van zijn broer moet trouwen als deze sterft zonder een zoon na te laten. De bedoeling daarvan is dat de naam van de gestorvene niet zal uitsterven in Israel. Als er een kind uit deze verbintenis geboren zal worden, dan geldt die als wettige zoon van de gestorvene, en zal hij dus ook het land en het huis van zijn vader erven. Weigerde iemand deze plicht, dit zwagerhuwelijk, dan mocht de weduwe zo’n man ten overstaan van de oudsten zijn sandaal uittrekken, hem in zijn gezicht spugen, en hem zeggen: zo vergaat het de man die zijn broer nageslacht onthoudt. En de familie van de weigerachtige man zou voortaan bekend staan als de familie - zonder - schoen. Dat was een enorme schande.
Tenslotte
Ons komen al dit soort bepalingen vreemd voor. Wat vond die vrouw er b.v. van dat ze met de broer van haar man moest trouwen? En als die al getrouwd was, hoe zat dat dan met die eerste vrouw? Wat vond die ervan? In Genesis 38 vinden we het verhaal van Tamar, die zo’n vrouw is. Ze treft een slechte man, de HEER doodt hem en hij sterft zonder kinderen na te laten. Dan trouwt de broer van haar man met haar, maar hij weigert nageslacht voor zijn broer te verwekken, en ook hij sterft zonder kinderen na te laten. De vader van deze slechte zoons, Juda, denkt: ik heb nog 1 zoon over, maar ik geloof niet dat ik die aan Tamar ga geven. Straks sterft hij ook nog. U kent het verhaal misschien wel: Tamar neemt daar geen genoegen mee. Zij komt op voor de rechten van haar overleden man. Zij is een buitenlandse in een vreemd land, zij ook, net als Ruth. Maar ze erkent de zorg en de rechtvaardigheid van deze God van Israel. Als ze hoort dat de vrouw van haar schoonvader is overleden, wacht ze tot de rouwtijd voorbij is. Dan kleedt ze zich als een prostitué en biedt haar diensten aan aan haar schoonvader. Hij gaat daarop in en zij wordt zwanger van een tweeling. Als alles uitkomt, wil Juda haar eerst laten stenigen, maar dan komt hij tot inkeer. Zij is rechtvaardiger dan ik, zegt hij. Ik ben niet eerlijk geweest. Zij heeft gelijk. En dan komt Tamar in het geslachtsregister van Jezus. Een buitenlandse, een voormoeder. Net als Ruth. Maar zover is het nog niet. Volgende week wordt het echt spannend. Dit verhaal wordt vervolgd. Amen.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Inleiding
In de vier weken die ik nog voorga voor mijn studieverlof en vakantie kan ik u precies het hele verhaal van Ruth vertellen. Er zijn namelijk 4 hoofdstukken en dat komt goed uit. Een vervolgverhaal, elke week een stukje. En als u wilt weten hoe het afloopt, dan moet u maar naar de kerk komen. Of het thuis nalezen, als u een Bijbel heeft. Het gaat in het boek Ruth over gewone mensen, op zoek naar wat geluk. Het gaat dus ook over u en mij. Want je kunt het leven zo gemakkelijk of zo ingewikkeld maken als je maar wilt. Maar ten diepste zijn we allemaal op zoek naar wat geluk. Genoeg te eten. Een dak boven je hoofd. Iemand om van te houden. Iemand die van jou houdt. De rest is bijzaak. In het verhaal sterven er mensen, er is verdriet en zelfs bitterheid. Het gaat dus ook over ons. Want we hebben vanmorgen de namen genoemd van mensen die de afgelopen week zijn gestorven. En onder ons is wel bijna niemand die niet eens met de bitterheid van de dood te maken heeft gehad. Daarom het boek Ruth. Omdat het ook over ons gaat.
Eten en drinken
Het is bitter, dat er in Bethlehem geen brood meer is. Bethlehem betekent nogal liefst broodhuis= beth lechem. Maar Elimelech en zijn vrouw Naomi zien er geen brood meer in, ze gaan naar Moab. Dat is aan de overkant van de Jordaan, ze verlaten het beloofde land. In Moab blijven ze in leven, jazeker. Maar vraag niet hoe… Moab is een fout land voor een echte Bethlehemiet. De Moabieten hebben het volk Israel gehinderd bij hun oversteek door de Jordaan, aan het einde van hun jarenlange zwerftocht door de woestijn. Ze probeerden ook het volk tot afgodendienst te verleiden. Daarom mochten Moabieten niet in het heiligdom van de Joden komen. Nee, Moab lag aan de verkeerde kant. Mozes zelf is aan de verkeerde kant van de Jordaan gestorven en hij is in Moab begraven, als een blijvend getuigenis.
Ach, die Elimelech. Mijn God is koning betekent zijn naam. Maar hij verlaat het land waar God als koning vereerd wordt. Hij gaat uit het broodhuis weg, samen met Naomi, de Lieflijke. Wat doe je al niet als je honger hebt. Eerst moet er brood op de plank komen en daarna kun je pas aan geestelijke zaken denken. Zeggen ze.
Maar bij brood alleen kun je ook niet leven.
Wat doen wij niet ‘om den brode’? Sommigen stemmen daarvoor op een partij die ervoor moet zorgen dat er niet aan hun rijkdom geknabbeld wordt. Terwijl wij het in Nederland zo vreselijk goed hebben, we hebben veel meer dan we nodig hebben.
Ze leven als asielzoekers, het gezin van Elimelech. We weten niets over het allochtonenbeleid van Moab. We weten niet of ze gediscrimineerd werden.
We horen wel dat na verloop van tijd Elimelech sterft, een grote tragedie voor Naomi. Nu is ze een vreemdelinge in een vreemd land. Het zal je maar gebeuren!
Ze woont daar met haar twee zonen, Machlon en Kiljon.
Die raken ingeburgerd in het land, ze zijn goed geïntegreerd. Ze trouwen met Moabitische meisjes.
En dan gebeurt het vreselijke: ook de beide jongens sterven en ze laten geen kinderen na. Daar zit Naomi dan, met haar twee schoondochters.
Ze heeft niets meer over.
Ze moet leven van de bijstand.
Bekering
En dan gaat ze terug naar haar moederland. Vol hoop en vol levenslust, met man en kinderen, is zij weggetrokken. Leeg keert ze weer.
Ze keert zich om, maar lang niet elke omkering is ook een bekering!
Want in plaats van met hoop en levenslust, is haar hart nu vervuld met bitterheid.
En kun je het haar kwalijk nemen? Wij, die dit verhaal lezen, wij weten hoe het afloopt. Wij kunnen makkelijk praten over “je moet vertrouwen hebben”. Wij kunnen makkelijk zeggen: je moet je lot in Gods handen leggen. We zeggen: heus, Hij weet wat Hij doet. En we menen het. En het is ook zo. Maar Naomi kan het niet meer opbrengen om dat te geloven. Ze laat drie grafstenen achter in de velden van Moab.
En verbitterd gaat ze terug naar het broodhuis. Waar weer brood is. Want de HEER had zich het lot van zijn volk aangetrokken, zegt de schrijver van het boek Ruth.
Ook al zo’n probleem waar wij op z’n tijd allemaal mee zitten.
Want heeft God die hongersnood gestuurd of was dat een speling van de natuur?
En heeft God Elimelech gedood, en haar zoons? Of zijn ze gewoon ziek geworden, of zijn ze gewoon door een ongeluk omgekomen? Of hebben ze ongezond geleefd en teveel risico’s genomen. Wat komt van God en wat van het lot?
Goed, Naomi gaat terug, wat moet ze anders.
Maar ze gaat alleen maar naar huis om te sterven. En daarom probeert ze haar schoondochters ook terug naar hun ouderlijk huis te sturen.
Van haar hebben ze geen toekomst te verwachten. Voor haar is alles over en uit.
Ruth
De ene schoondochter laat zich ook wegsturen. En wie zal het haar kwalijk nemen? Waarom zou ze haar eigen land en haar eigen goden verlaten voor een ongewisse toekomst? Waarom zou ze de Jordaan oversteken, die grensrivier?
Die keuze kan ze niet maken. En wij voelen met haar mee.
Zouden wij het doen? Wij durven ook vaak de grens niet over.
Grote kans dat de schoondochter in Israel met de nek aangekeken wordt, omdat ze een vreemdeling is. Dat kwam toen ook al voor, dat gebeurt niet alleen bij ons.
Maar dan Ruth. In onze vertaling staat dat ze niet van Naomi’s zijde week. Maar dat staat er echt niet. Er staat een actief woord: vastklampen, hechten. Zoals een man aan de vrouw kleeft waar hij van houdt. Zoals Jacob de engel aankleefde, die ’s nachts met hem vocht, en zei: ik laat u niet gaan, tenzij dat U mij zegent.
Zo klemt Ruth zich aan Naomi vast en ze gebruikt woorden die groter zijn dan zijzelf.
Vraag me niet om weg te gaan, zegt ze. Zij die meegaat, betekent haar naam.
En ze gaat ook mee. Waar u gaat, zal ik gaan, zegt ze tegen Naomi.
Waar u slaapt, zal ik slapen. Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.
Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden.
De HEER is mijn getuige, alleen de dood zal mij van u scheiden.
Het is als een belofte van trouw, deze woorden worden dan ook vaak gelezen bij een huwelijk. Met huid en haar kiest Ruth hier voor Naomi: haar volk, haar godsdienst en haar leven. Ze laat zien dat ze trouw is, zoals God zelf trouw is.
Hoe trouw zijn wij, als wij eenmaal ergens bijhoren? Trouw aan onze idealen, aan onze familie, vrienden, de mensen van de kerk, de politieke partij?
Of lopen we gemakkelijk over zodra we het ergens beter kunnen krijgen?
Ruth is een Moabitische. Een allochtoon, die bij het volk van God asiel komt zoeken.
En ze gaat nog een grote rol spelen in de verhalen die hierna komen.
Gelukkig maar dat ze haar verblijfsstatus krijgt.
En we kunnen in veel opzichten een voorbeeld aan haar nemen.
Trouw
Want wat is het moeilijk om vertrouwen te hebben als het niet goed met je gaat.
Naomi, dochter van het uitverkoren volk, kan het niet opbrengen.
Ik ben niet lieflijk meer, zegt ze. Noem mij maar Mara, bitterheid betekent dat.
Maar Ruth, die vreemde vrouw, zij kan het wel. Hoe doet ze dat toch?
En op wie lijken wij? Op Ruth of op Naomi? Zijn wij lieflijk of bitter?
Willen wij, durven wij God te volgen, wat de toekomst ook brengen moge?
Of volgen we Hem alleen zolang Hij ervoor zorgt dat wij het goed hebben?
Hoeveel vertrouwen hebben wij in die God die soms zijn ongekende gang gaat, zoals wij straks in ons slotlied zingen?
Gezang 447 verwoordt het prachtig en diep en heel mystiek.
God put licht en vreugde uit pijn. Hoe? Wacht maar af. Heb vertrouwen.
En de wolken vol regen die wij vrezen, brengen soms overvloed van zegen.
Wat Hij bedoelt, met uw leven, met het mijne, dat moet rijpen tot zin.
Dat wordt van uur tot uur, van dag tot dag duidelijker.
Soms is de knop van iets bitter, terwijl de bloem die eruit voortkomt licht en puur is.
God is in staat om de duisternis te vertalen in licht.
Zijn Zoon stierf voor ons, en Hij werd tot levend brood dat ons voedt.
Zijn bloed werd vergoten, en het werd voor ons als wijn, die het hart verheugt.
Wij vieren dat geheimenis straks samen, bij het Heilig Avondmaal.
We zullen het brood breken en de wijn uitgieten.
Dat toch uit breken en vergieten zoveel goeds kan voortkomen.
Amen.
Preek 30 mei 2010 Zondag Trinitatis; Aandacht voor de vervolgde kerk Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Inleiding
In Amerika zijn kerken waar ze je beloven dat je rijk en succesvol zult worden als je lid wordt van hun kerk. Waar ze beweren dat Jezus eens en voorgoed voor iedereen geleden heeft, en dat zijn volgelingen recht hebben op geluk en op succes.
Denk heel geconcentreerd aan dat wat je wilt hebben, zeggen ze, b.v. een nieuwe auto.
En vraag het dan elke dag in je gebed aan God. Je zult zien: je krijgt het. Nooit kan ’t geloof immers teveel verwachten. Ziekte, armoede, zonder werk zitten, allemaal niet nodig.
Als je geloof groot genoeg is, dan zal God je alles geven wat je maar wilt.
En die kerken stromen vol, want wie wil er nu niet rijk en succesvol en gezond zijn?
Maar de Bijbel leert ons iets anders.
Ze hebben mij vervolgd, zegt Jezus zelf, dus zullen ze jullie ook wel vervolgen.
En alle eeuwen door zijn christenen inderdaad vervolgd, als ze openlijk uitkwamen voor hun geloof in Jezus.
Op dit moment worden in 50 landen van de wereld christenen vervolgd, gearresteerd, gemarteld. Kerken worden in brand gestoken, bijbels verboden, voorgangers opgepakt.
Niks rijkdom, succes en gezondheid. Armoe, lijden, en gevangenis.
Wij noemen het een zegen als het ons goed gaat. En dat mag ook.
Maar hoe zit het dan met mensen die het slecht hebben?
Betekent hun lijden dat God zich van hen heeft afgekeerd? Ontvangen zij geen zegen?
Vandaag aandacht voor al die mensen wereldwijd die lijden om hun geloof.
En vandaar het verhaal van Paulus. Want ook die heeft geleden, juist na zijn bekering.
Winst - verlies
Paulus is blij als hij deze brief schrijft. Hoewel hij zelf in de gevangenis zit, vanwege zijn geloof in Jezus. Maar hij vergeet zijn eigen narigheid, steeds als hij denkt aan de gemeente in Filippi die hij zelf gesticht heeft. Want de mensen uit Filippi leven van harte met hem mee. Ze hebben hem geld gestuurd in de gevangenis. Ze bidden voor hem. Het laat ze niet koud dat hij gevangen zit. En daarom begint Paulus zijn brief met te zeggen:
“Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk”.
Want het is een wonder dat die gemeente ontstaan is en dat ze zelfs gegroeid is.
Als je bedenkt hoe het begonnen is…
met 1 vrouw die tot geloof kwam: Lydia de purperverkoopster.
Paulus heeft haar gedoopt, met heel haar gezin.
Dat was tijdens Paulus’ tweede zendingsreis, zo rond het jaar 50.
Hij had daar ook nog in de gevangenis gezeten. Midden in de nacht hadden hij en Silas psalmen zitten zingen, ondanks dat ze gegeseld waren en hun rug kapot was.
En dat terwijl Paulus ook een succesvol Farizeeër had kunnen zijn.
Ik had alles mee, zegt hij in het stukje uit zijn brief dat we gelezen hebben.
- ik ben op de 8ste dag besneden, dus helemaal zoals dat hoort
- ik hoor bij het volk Israël, ben afkomstig uit de stam Benjamin, een goede afkomst
- ik heb de Jezus volgelingen, de mensen van de weg, fanatiek vervolgd en daar waren mijn leermeesters en mijn vrienden heel tevreden over
- ik hield me in alles aan de wet, iedereen had respect voor me
Ja, zegt Paulus, ik was op weg om geleerd en beroemd en populair te worden.
Maar sinds ik Jezus heb leren kennen beschouw ik alles wat ik toen zo belangrijk vond, als verlies, als vuilnis. Omdat al die dingen mij afhielden van Jezus.
En Hij is de enige die telt. Hem lief te hebben en te volgen, dat is nu mijn één en al.
Die andere dingen, die leken zo mooi, maar ze brachten mij niet bij God.
Ze leidden me regelrecht naar de afgrond.
Want toen ik populair was en geleerd, toen vertrouwde ik op mijn eigen kracht.
En nu verwacht ik alles van God. Ik word gered door mijn geloof alleen.
Voorbeeld
Ik moest ineens denken aan wat ik onlangs zag toen ik op de A9 reed.
Er dook een roofvogel neer op een dood beest dat op de rijbaan lag.
Hij pikte de dode muis of wat het ook was op en probeerde snel weer weg te vliegen.
Maar omdat hij zo zwaar beladen was, met dat grote beest in zijn poten, ging het niet zo vlug. Vol spanning keek ik naar wat er gebeurde. Er reed een grote auto voor me.
De vogel probeerde snel hoogte te winnen en hij had het zeker gered, als hij niet zo zwaar beladen was geweest. Het lukte net niet. Hij wilde zijn prooi niet loslaten.
En toen werd hij, met de prooi nog in zijn poten, doodgereden.
Vervolgde christenen
Het beeld bleef me nog lang bij.
Wat is er voor mij zo belangrijk dat ik bereid ben er grote risico’s voor te nemen, dacht ik.
Zijn er dingen die ik beter los kan laten, wil ik er niet mee ten onder gaan?
Dat kan van alles zijn. Dingen die in zichzelf goed zijn, kunnen toch onze ondergang worden.
Drank, met mate gedronken, is smakelijk en maakt het hart vrolijk.
Maar drank heeft ook meer kapot gemaakt dan menigéén lief is.
Rijkdommen verwerven is niet verkeerd. Abraham was ook rijk en hij was een vriend van God. Maar als je hart zich teveel hecht aan het geld, dan keert het zich misschien van God af en ga je te gronde met je rijkdom.
Hard werken en carrière maken kan veel vreugde en voldoening schenken. Jozef, de zoon van Jacob werd onderkoning van Egypte en hield veel mensen in het leven, door ze van graan te voorzien. Maar hard werken moet toch niet het doel zijn van je leven!
Doe je daar God en je naasten een plezier mee? Kun je die carriere trots aan God laten zien, op de dag dat je voor hem moet verschijnen? Grote kans dat Hij zegt: mooi hoor, maar wat heb je nu gedaan met al dat geld?
Veel mensen betalen een hoge prijs als ze in Jezus gaan geloven.
Op 1 van de tafels in de Poterne ligt een map met verhalen van mensen die alles verloren wat ze hadden, zelfs hun leven, maar die stierven in de Heer en die nu bij Hem mogen zijn.
- Tabitha Bot, uit Noord Nigeria vertelt dat haar man werd doodgeslagen, toen hij weigerde om zijn geloof af te zweren. Nu moet zij zich alleen zien te redden.
- Haik Hovsepian uit Iran, die actie voerde om de voorganger van zijn kerk vrij te krijgen. Het lukte, maar Haik werd ontvoerd en met messteken om het leven gebracht
- Ruth, uit het Midden Oosten, die een bijbel kreeg van iemand en er stiekem in las. Het verhaal van Jezus sloeg bij haar in als een bom. Ze liet zich in het geheim dopen, maar haar familie kwam er achter en probeerde haar te vermoorden
Voor al die mensen is er van vrijdag op zaterdag een nacht van gebed gehouden.
En ook wij zullen vandaag voor hen bidden.
Ze hebben alles laten vallen wat hen van Christus afhield. En de prijs is hoog.
Maar ze zijn vastbesloten om alles als vuilnis te zien wat hen van Christus afhoudt.
Weg ermee, in de kliko.
Alleen Christus, bij Hem willen ze horen, en daar hebben ze alles voor over.
Paulus
Als Paulus doorgegaan was op het pad dat hij in zijn jeugd was ingeslagen, dan zou hij succesvol zijn geworden en had hij wellicht een heel prettig leven gehad.
Nu hij dat pad verlaten heeft, ervaart hij dat het volgen van Jezus lijden meebrengt.
Zijn leven is er bepaald niet gemakkelijker op geworden. Maar hij vindt een volkomen geluk in een nieuwe wet: de wet van leven uit het geloof in Jezus.
Ik wil Christus kennen, zegt hij.
Ik wil de kracht van zijn opstanding ervaren.
En daarvoor wil ik graag delen in zijn lijden en zelfs net als Christus gedood worden.
Als ik dan ook maar, net als Hij, mag opstaan en eeuwig met Hem leven.
Daar heeft Paulus alles voor over. Zelfs zijn leven.
Hij vergeet wat achter hem ligt, en loopt recht op zijn doel af, op de hemelse prijs.
Tenslotte
Als kind hoorde ik vaak preken over vervolgingen van christenen en dan dacht ik vaak bang: zou ik het volhouden als ik gemarteld werd om mijn geloof?
Ik had daar zo mijn twijfels over.
En als ik nu hoor over de volharding van mensen die tot geloof in Jezus komen, en die daar alles voor over hebben, denk ik: zou ik dat ook durven?
Als je hun verhalen leest, dan lijkt het erop dat hoe meer ze lijden, hoe meer kracht ze ontvangen om het vol te houden. En dat is denk ik ook zo.
Juist in het lijden, juist als alles je bij de handen afbreekt, dan ga je tot God roepen: help me toch. Eerder roep je vaak niet om hulp, omdat je Hem niet nodig hebt, of denkt dat je hem niet nodig hebt.
Weinig mensen hebben een godservaring op het moment dat het ze geweldig voor de wind gaat. Op het moment dat ze een nieuwe auto kopen. Een bedrijf overnemen.
Veel vaker komt het voor dat mensen plotseling iets van God ervaren op het moment dat ze dreigden te verdrinken in hun verdriet, in hun zorgen, in hun angst.
Dat beroemde gedicht van de voetstappen langs het strand, dat spreekt daar ook over.
Juist op het moment dat je God het meeste nodig had, toen heeft hij je gedragen.
En dus worden Gods kracht en zijn liefde het duidelijkst zichtbaar op die plekken waar hij het hardste nodig is. Bij de vervolgde kerk, bij alle mensen die lijden, bij allen die Hem aanroepen in hun nood.
Het bloed der martelaren is het zaad der kerk, is een uitspraak die je vroeger vaak hoorde.
En het is waar. Daar waar de kerk vervolgd wordt, groeit de kerk.
Terwijl hier, waar voor iedereen ruimte is om te geloven en naar de kerk te gaan…
Het lijden van Christus heeft de overwinning behaald, maar het lijden van christenen verspreidt die overwinning.
Juist waar mensen hun mond niet kunnen houden over de blijdschap van het Evangelie, daar zie je vervolging ontstaan en lijden, en daar zie je tegelijk ook de radicale kracht van
het geloof en een vast vertrouwen op Jezus en zijn opstanding.
Worden wij niet vervolgd omdat wij bijna altijd onze mond houden over het geloof?
Wereldwijd worden mensen om hun geloof vervolgd.
Noord-Korea staat bovenaan.
Maar ook China en Irak staan op die lijst, en Marokko, en Egypte.
Mensen verliezen daar soms alles als uitkomt dat ze christen zijn.
Tot zelfs hun leven toe.
En toch houden ze hun mond niet. Ze moeten spreken van die geweldige ontdekking: dat Jezus de beloofde Verlosser is, door God gezonden om mensen te redden.
Terwijl wij, hier in Nederland, met alle vrijheid die we hebben…
Ik sprak eens een zendingswerker, die een jaartje terug was in Nederland, en die zei: in het afgelopen jaar heb ik maar een paar keer echt over het Evangelie kunnen spreken met mensen hier. Ik ben blij dat ik weer terug kan: daar is het Evangelie eten en drinken voor de mensen, ze snakken naar het levende Woord en kunnen er heel de dag wel over praten.
Misschien moeten wij onszelf eens onderzoeken en de manier waarop wij leven en geloven.
Winst of verlies, waar draait ons leven om? Amen.
Preek 16 mei 2010 Ex. 23: 1-9 en Johannes 14: 15 – 21
Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Inleiding
We leven in de tijd tussen Hemelvaart en Pinksteren.
Vandaag is een beetje een dag tussen wal en schip.
Deze dag wordt wel ‘wezenzondag’ genoemd.
Zo zullen de leerlingen van Jezus zich wel gevoeld hebben, verweesd, als mensen die plotseling een ouder verliezen.
Wie heeft er nu de leiding, nu Jezus terug gegaan is naar de hemel?
Wie zal er nu zeggen wat er moet gebeuren,? Hoe moeten ze leven, wat moeten ze zeggen?
Hoe ziet een volgeling van Jezus eruit, wat mag en wat mag niet?
Dat moesten ze allemaal nog leren.
Ook de mensen in de woestijn voelen zich ontheemd, verweesd.
In Egypte was alles duidelijk, niet leuk, maar wel duidelijk.
Ze moesten hard werken, en hadden geen tijd om na te denken hoe ze hun leven eens zouden inrichten. Welnee, daar kwamen ze helemaal niet aan toe.
Het was al heel wat als ze het overleefden.
En nu, plotseling, zijn ze vrij. In de woestijn, op weg naar het beloofde land.
En ze weten niet goed wat ze met die vrijheid aan moeten, lijkt het wel.
Hoe moet iemand die bij Gods volk hoort leven? Wat mag hij niet en wat wel?
De wereld moet toch het verschil kunnen zien?
Ze voelen zich wat verloren in die grote, verschrikkelijke woestijn.
Zoals de leerlingen van Jezus zich verloren voelen in Jeruzalem.
Willem Barnard, die u zo langzamerhand wel een beetje kent, schrijft ergens:
bij de Eeuwige betekent “verloren zijn” “verkoren zijn”.
God heeft een speciaal plekje in zijn vaderhart voor mensen die zich verloren voelen.
Hij heeft ze liever dan de mensen met de grote mond, die alles al weten.
Verloren mensen zijn uitverkoren mensen, mooi is dat.
Laat dat u troosten, als u zich zelf verloren voelt.
U heeft een speciaal plekje in Gods vaderhart.
Exodus
In het gedeelte uit Exodus geeft God, via Mozes, wetten aan zijn volk. Regels. Voorschriften. Dit moet je nooit doen, dat juist altijd.
Regels over de rechtspraak, dat je eerlijk moet zijn en niet iemand vrijspreken, terwijl hij schuldig is, alleen maar omdat je hem graag mag.
Niet iemand schuldig verklaren hoewel hij niks gedaan heeft. Alleen maar omdat je een hekel aan hem hebt. Niet doen. Dat is niet goed.
Regels over eigendommen, dat je zelfs de ezel van je vijand, als je die ergens aantreft, meteen moet terugbrengen. Dat je je dus niet vrolijk mag maken over zijn pech. Ook je vijand is met jou onderweg van Egypte naar het beloofde land. Je zou toch ook niet willen dat God zou lachen om jouw pech? Nou dan, behandel je naaste zoals je zou willen dat God jou behandelde. Probeer een beetje op God te lijken, je bent immers naar zijn beeld gemaakt.
Dan kan de wereld een heel aardige samenleving worden.
Zo probeert God zijn mensen op het goede spoor te krijgen. Dit doe je nooit, dat juist wel.
Regels over vreemdelingen. Buit ze niet, zegt God, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Je weet hoe het voelt.
Behandel een ander zoals je zelf behandeld wilt worden.
Eigenlijk hoef je deze regels nauwelijks nog naar onze tijd te vertalen.
Ze zijn zo actueel als wat.
Praat niet respectloos over allochtonen, alleen maar omdat ze andere gewoontes hebben.
Met een beetje meer pech was jij in Iran geboren en was jij hier als vluchteling.
Hoe zou je dan willen dat de mensen jou behandelden?
Als je dat weet, dan weet je ook precies hoe jij anderen moet behandelen.v
Niet lachen als de pc van die nare buurman crasht. Ga hem liever helpen.
Misschien wordt-ie daar minder naar van. Dan heb je iets goeds gedaan.
Laat je er niet door een meerderheid toe overhalen iets te doen wat fout is, zegt God.
Rijd niet harder dan toegestaan is, ook al doen ze het allemaal. Daar wordt het nog niet goed van. Neem geen bloknootjes of pennen mee van kantoor, nog geen paperclip. Ook al doen ze het allemaal, daar wordt het nog niet goed van.
Volg de meerderheid niet in het kwade, stond er in de vorige vertaling.
Niet over iemand roddelen, al doen ze het allemaal, daar wordt het nog niet goed van.
Gods regels opvolgen, die zijn goed, niet die van de mensen om je heen.
De Heilige Geest
Ook Jezus geeft regels aan zijn leerlingen, aanwijzingen, richtlijnen.
En Johannes heeft ademloos geluisterd. Geen enkel woord van Jezus mocht verloren gaan.
Wees niet ongerust, zei Jezus, maar vertrouw op God en vertrouw op Mij.
En als je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden.
Zelf zal Hij teruggaan naar de Vader, maar Hij wil zijn kinderen niet als wezen achterlaten. Deze zondag wordt wel ‘de zondag van de weeskinderen’ genoemd, maar als het aan God ligt zal het zijn mensen nooit aan troost ontbreken.
Want ik zal de Vader vragen om jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn, zegt Jezus. Twee dingen vallen daarbij op: een andere pleitbezorger, zegt Jezus.
Tot dusverre had Hij dus die taak op zich genomen.
Hij was voortdurend in de weer om het goede te zoeken voor zijn leerlingen.
En nu gaat Hij weg, terug naar zijn Vader.
Maar Hij stuurt ze een andere pleitbezorger, die altijd bij ze zal blijven.
En het tweede wat opvalt is dat woord: pleitbezorger. Dat is in onze tijd niet meer een bekend woord. Je kunt het ook vertalen met ‘advocaat’, ‘rechtsbijstand’.
Jezus biedt zijn leerlingen een rechtsbijstandverzekering aan.
Met garantie. En zonder kleine lettertjes. Hij zal een helper sturen, een trooster, een advocaat die uitsluitend hun belangen op het oog heeft: de Geest der Waarheid, de Geest van Heiligheid, de Heilige Geest.
En dit is dus wat de Heilige Geest komt doen: troosten en bijstaan. Helpen om Gods geboden te bewaren, want dat is onmogelijk in je eentje op te brengen.
Volgende week vieren we Pinksteren, het feest van de uitstorting van de Heilige Geest.
We zullen afscheid nemen van ambtsdragers, die trouw hun werk voor de kerk hebben gedaan. En er worden weer nieuwe ambtsdragers bevestigd, het werk van Jezus moet doorgaan. Er moet getroost worden in Gods naam, geholpen, aangespoord, bemoedigd.
Daarover gaat het toch bij het Pinksterfeest? Wat heerlijk dat het weer gelukt is.
Wedergeboren
Blijf in mij, zegt Jezus tegen zijn leerlingen, kort voor Hij overgeleverd wordt en sterven moet. Ik leef en daarom zullen ook jullie leven. Ik ben in mijn Vader en jullie zijn in mij en Ik in jullie. En dat alles wordt tot stand gebracht als jullie mijn geboden bewaren en ernaar leven.
Daarom heb ik vanmorgen de 10 geboden maar weer eens voorgelezen.
Al die geboden, waarvan de samenvatting is: God liefhebben met je hele hart en je naaste als jezelf. Simpeler kan niet, maar tegelijk is dat ongelofelijk moeilijk. Want hoe kun je God liefhebben met je hele hart? En evenveel van je naaste houden als van jezelf? Onmogelijk.
Tenminste, als je het alleen moet doen. Natuurlijk gaat dat niet.
Maar in de kracht van God en Jezus, geholpen door de Heilige Geest…dan is er veel mogelijk. Alles, eigenlijk.
Een kind van God, bezield door de Geest van God, is tot grote dingen in staat is.
We zien het toch om ons heen, of ziet u dat niet?
Kleine liefdedaden, jarenlang trouw volgehouden. Hulp, belangeloos gegeven.
Geloof dat zich ondanks tegenslagen en verdriet toch steeds weer naar God toewendt.
Deze veelkleurige gemeenschap, hier in Vijfhuizen, die groeit en bloeit.
Waar we hardnekkig blijven zoeken naar acceptatie, onderlinge warmte en liefde.
Het is het werk van de Heilige Geest. Dat moet toch wel?
Let op de ambtsdragers die zomaar, uit liefde, hun werk voor de kerk hebben gedaan: het moet wel het werk van de Heilige Geest zijn. En er zijn weer nieuwe ambtsdragers, die tijd gaan steken in de gemeente, zomaar, uit liefde: dat moet toch wel de Heilige Geest zijn?
Tenslotte
Vandaag is het de zondag van de weeskinderen. En velen van ons weten hoe het is om ‘wees’ te zijn. En ook als je vader of je moeder nog leven kun je je verweesd voelen, alleen.
Maar voelen wij ons ook verweesd, vervreemd, omdat wij, als kerkmensen, zo heel anders zijn dan de mensen om ons heen?
Of hebben wij ons prima aangepast, en voelen we ons heel goed thuis bij de geest van deze tijd? Zo goed dat wij Gods Geest niet meer nodig denken te hebben?
Toen het volk in de woestijn dorstig was, ging het roepen tot God, om water.
Toen ze honger hadden, riepen ze tot God, om brood, om vlees.
Maar als wij het nu in ons land zo goed voor elkaar hebben, dat we nooit meer honger hebben, nooit meer dorst, hebben we dan ook God niet meer nodig?
Dienen we God alleen om de dingen die Hij ons geeft?
Zoals we koeien sympathiek vinden, omdat ze zorgen voor vlees en melk?
Of is er nog een andere reden om God te dienen?
Als je mensen vraagt wie God voor ze is, hoor je opmerkelijk vaak dat het zo fijn is dat Hij er altijd voor je is. En dat is ook zo. Dat hij als een goede vriend is, een goede vader. En dat is Hij ook. Dat God je troost als je verdriet hebt, dat Hij je helpt als je in moeilijkheden zit.
En dat is ook zo. Zeker. Allemaal op zich al redenen genoeg om God te dienen en zijn geboden te onderhouden.
Maar Jezus vraagt zijn leerlingen niet om zich aan de geboden te houden om daar beter van te worden. Doe het omdat je me liefhebt, zegt hij.
Wat voor huwelijk heeft iemand die aardige dingen tegen haar man zegt, alleen om te bereiken dat hij straks de huur weer betaalt, of de hypotheek?
Wat voor relatie heeft een man die alleen maar de vuilnisbak buiten zet omdat zijn vrouw anders weer zo op hem moppert?
Zeker, het gebeurt allemaal, maar wat zegt het over hun relatie?
Als je een ander liefhebt, dan hoef je niet met het pistool op de borst gedwongen te worden om eens een avondje bij haar, bij hem, op de bank te gaan zitten.
Welnee, je wilt niets liever!
Wat zegt het over je relatie met God als je nooit bidt, niet in de Bijbel leest, zelden naar de kerk gaat, nooit eens iets voor de kerk doet? Kun je dan volhouden dat je God echt liefhebt?
Jezus is naar de hemel teruggegaan en Hij heeft beloofd ons Iemand te sturen die ons helpt om als zijn volgelingen te leven, herkenbaar voor iedereen vanwege de goede werken .
Die ons alles in herinnering brengt wat Hij gezegd heeft, wat Hij ons heeft voorgedaan.
Het is een Geest van heiligheid, een Geest van waarheid, een Geest van liefde.
Laten we ons hart wijd voor hem openen.
Ons leven aan Hem overgeven.
Uit liefde.
Amen.
Preek 13 mei 2010 , Hemelvaartsdag
Gemeente van onze Heer Jezus Christus, gasten in ons midden,
Inleiding
Twee keer een afscheid, in de eerste lezing van Elia, de tweede keer van Jezus.
En allebei de keren is het meer dan een afscheid, het is ook een nieuw begin.
Elk afscheid is een nieuw begin. Zelfs als je dat helemaal niet wilt. Als je liefste gestorven is.
In de eerste lezing gaat Elisa verder in de geest en de kracht van Elia, die hij als zijn geestelijk vader beschouwde.
In de tweede lezing gaan de discipelen in de geest en de kracht van Jezus verder.
Ze moeten wel, maar ze doen het ook!
Het heeft altijd iets dubbels, een afscheid. Er is vaak blijdschap om wat je samen gedeeld hebt. Maar er is meestal ook verdriet, en onzekerheid, omdat je nu alleen verder moet.
Zo gaan die dingen. Als je een therapie gevolgd hebt, of een cursus, komt eens de tijd dat gezegd wordt: nu mag je het zelf gaan doen. Dat betekent ook: nu moet je het zelf doen.
Elia – Elisa
Bij Elia en Elisa is dat ook zo. Het verhaal van de hemelvaart van Elia wordt niet vaak gelezen, maar het past wel heel goed bij deze hemelvaartsdag.
Elia is aan het einde van zijn aardse leven gekomen, nog even en hij is niet meer onder de mensen waarmee hij samen geleefd heeft. De mensen tot wie hij zijn profetieën heeft gesproken. Zal zijn woord nu uitsterven?
Samen met zijn leerling, Elisa, gaat hij alle plaatsen langs die belangrijk zijn geweest in het leven van het volk Israel. En tot drie keer toe dringt Elia er bij Elisa op aan om terug te gaan. Maar Elisa blijft bij hem, hij wijkt niet van de zijde van zijn leermeester en vader. Die heeft woorden van leven gesproken, daar wil hij zich aan vasthouden. Ze gaan naar Bethel, naar Jericho, en dan…de Jordaan. De grensrivier, ze bereiken een grens. Heel letterlijk. De profetenzonen blijven achter die grens staan, niet alle mensen is het gegeven om over grenzen heen te gaan. Elia slaat met zijn jas op het water en er komt een droog pad, waar hij en Elisa over naar de overkant kunnen.
En dan mag Elisa van Elia een wens doen. Hij weet het onmiddellijk en zonder aarzelen zegt hij: laat toch een dubbel deel van uw geest op mij komen. Een dubbel deel, dat kregen de eerstgeboren zonen in Israel, dat was het eerstgeboorterecht. Eigenlijk vraagt Elisa dus: laat mij uw zoon zijn, de eerstgeborene. Ik wil profeet zijn in uw plaats.
En dan moet Elia zeggen dat hij daarover niet kan beslissen, God zal uitmaken of Elisa profeet kan worden in zijn plaats. Hij zegt erbij: als je ziet hoe ik straks word opgenomen, dan mag je dat opvatten als een teken van God, een teken dat je in Zijn naam mag spreken. Als je het niet ziet, dan wil God het niet.
Natuurlijk, iemand die namens God spreekt moet een ziener zijn. Hij of zij moet ogen hebben om te zien wat God laat gebeuren. En dat is een gave van God.
En dan gebeurt het: een wagen van vuur en vurige paarden en Elia stijgt in een stormwind ten hemel. En Elisa staat erbij en kijkt ernaar en hij ziet het!
Elia wordt ten hemel opgenomen, zijn taak zit erop. Zijn opvolger staat klaar en zal het op zijn eigen manier doen. Volgende week nemen we afscheid van ambtsdragers en er komen weer nieuwe. Die zullen het weer op hun eigen manier doen. En dat is goed. Zo moet dat ook. Maar laten ze over de grens durven zien, de Jordaan, waarin ook Jezus gedoopt is. De Jordaan die de grens is tussen de woestijn, waar geen leven mogelijk is, en het beloofde land waar God alles in allen is en waar het vorige, vastgebonden leven moet worden losgelaten.
Elisa raapt de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, en slaat ermee op het water. Zoals Elia gedaan had. Het water laat hem door, zoals het Elia doorgelaten had. De mantel past bij Elisa. De geest en de kracht van Elia rusten nu op hem, het woord van God gaat door. Een nieuwe ambtsdrager, maar het Woord van God blijft hetzelfde, tot in eeuwigheid.
Jezus
Ook Jezus neemt afscheid van zijn leerlingen. Ook Hij vaart ten hemel. En ook Hij doet iets heel belangrijks voor Hij heengaat, net zoals Elia. Die legt Elisa uit dat zijn de ogen geopend moeten worden. Jezus opent het verstand van zijn leerlingen, zodat ze de Schriften begrijpen. Hun ogen zijn al geopend, dat hebben we gelezen in het verhaal van de Emmausgangers. Bij het breken van het brood, toen zagen ze het. Toen werden ze zieners. En onderweg was hun hart al brandende in hen, toen Jezus de Schriften uitlegde.
Prachtig, die verbinding met het grote gebod der liefde, dat je God moet liefhebben met je verstand en je hart en alles wat in je is. Het gebeurt hier allemaal, in de lezingen. Bij Elisa worden de ogen geopend, bij de leerlingen hun verstand, als Jezus ze uitlegt dat alles wat gebeurd is precies past in de plannen van God.
Ook zijn lijden, ook zijn sterven en helemaal zijn opstanding. Juist dat, want dat is de basis waarop de leerlingen nu zelfstandig de wereld in moeten. In de naam van Jezus, die geleden heeft, gestorven is en opgestaan, mag bekering gepreekt worden tot vergeving der zonden.
En dat moeten de discipelen nu op zich nemen, dat mogen ze nu zelf, dat moeten ze nu zelf.
Zelf doen
De meeste dingen in het leven moet je zelf doen. Maar je hoeft het nooit alleen te doen.
Ook de leerlingen staan er niet alleen voor, Jezus zegt ze toe dat de belofte van de Vader ze nog toegestuurd zal worden. De Heilige Geest. Daar moeten ze op wachten. En dan is alles duidelijk en Jezus kan afscheid nemen zonder dat de leerlingen als wezen achterblijven.
Jezus leidt ze naar buiten, heft de handen op, zegent ze en gaat dan zo, al zegenend, van hen heen. Ze hoeven het niet alleen te doen. De zegen van Jezus raakt hen zo dat ze met grote blijdschap naar Jeruzalem terugkeren. En dat ze voortdurend in de kerk zitten, in de tempel en dat ze God loven.
Ze geloven in die zegen van omhoog. Ze staan er echt niet alleen voor. Ze kunnen nu zelf aan de slag. Want de Schriften zijn geopend èn hun ogen en hun harten zijn brandende. Jezus heeft hen goed toegerust voor hun taak, ze zijn overal bij geweest en ze kunnen nu als getuigen optreden en de wereld ingaan en zeggen dat het echt waar is allemaal.
Tenslotte
Hemelvaartsdag is altijd een beetje moeilijk feest geweest.
Afscheid nemen van iemand is toch meestal verdrietig, en waarom is het dan toch feest?
Kerst is veel duidelijker, iedereen weet dat het om een kindje gaat, een lief klein kindje in een kribbe. Pasen is al een beetje moeilijker, veel mensen komen niet verder dan eieren, de paashaas, boterlammetjes enzo.
En Hemelvaartsdag is nog vager, het is geworden tot een dag om uit te gaan, fietstochten te maken, naar de meubelboulevard te gaan of naar het tuincentrum. En daar is natuurlijk niets op tegen. Maar de leerlingen zochten elkaar op, spoorden elkaar aan, vertelden elkaar wat Jezus allemaal gedaan had en gezegd had. Ze wilden goede getuigen zijn.
En dat zijn ze geweest, want ook wij vieren nu hemelvaartsdag, de getuigen hebben hun verhaal doorgegeven aan ons.
En nu zijn wij weer aan zet. Wij kunnen toch niet doorgaan alsof het geen Pasen is geweest en Christus niet ten hemel is gevaren? Hij heeft ons alles gegeven wat wij nodig hebben en Hij vertrouwt ons zijn aarde toe en zijn mensen. Hij vertrouwt erop dat we het nu zelf kunnen: geloven. In de kracht van Gods goede Geest.
Laten we ten volle gebruik maken van die kracht, veel meer dan we tot nu toe doen!
Elia liet zijn mantel achter voor Elisa. Jezus liet ons zijn zegen na en ook die kan als een mantel om ons heen zijn, daarmee kunnen we ons kleden en warm worden. We kunnen elkaar er ook mee verwarmen en kleden. Die zegen is iets waar we mee verder kunnen.
Laten we dan leven als gezegende mensen, laten we ook elkaar tot een zegen zijn.
Laten we elkaar bemoedigen, aansporen, de verhalen doorvertellen.
Llaten we zoveel we kunnen hier samenkomen, bidden om de Heilige Geest, elkaar verwarmen en liefhebben, vasthouden. In Jezus’ naam.
Amen.
Preek 25 april 2010 Ex. 16: 28 – H. 17:7 en Lk. 24: 35-48
Gemeente van onze Heer Jezus Christus, gasten in ons midden,
Inleiding
Twee verhalen over twijfel en ongeloof. Goed dat juist deze verhalen op het rooster staan.
Want wij zelf zijn ook niet altijd vrij van ongeloof en twijfel.
Ook voor ons is het, na de grote woorden van Pasen, moeilijk om nu vanuit de belofte van opstanding te gaan leven! Voor je het weet leven we verder alsof Jezus niet is opgestaan.
En dat zou toch zonde zijn. Echt zonde. Want nu moeten wij nog opstaan!
Immers, als er geen tekenen van opstanding in ons eigen leven te zien zijn, wat baat ons dan de opstanding van Jezus?
Dat is wat er mis is met het volk Israel. Ze zijn bevrijd uit Egypte. Door de Rode Zee getrokken. Maar ze praten alsof dat alles een plannetje van Mozes en Aäron is geweest.
Alsof niet God zelf daar achter zat, alsof Hij niet zelf de Bevrijder is geweest.
Aan het begin van dit hele verhaal staat dat de farao weigert God te erkennen.
Wie is die God van jullie, zegt hij schamper. Ik heb nog nooit van hem gehoord.
Dus hoef ik hem ook niet te gehoorzamen. De farao weet inmiddels beter. Nu het volk nog.
Het is altijd hetzelfde liedje: heidenen bekeren, nu ja, dat is moeilijk, maar soms lukt het wel.
Maar Gods eigen kinderen bekeren: dat is en blijft een heidens karwij.
Exodus
Het volk is bevrijd, geweldig. Ze hebben met droge voeten de andere oever beklommen.
Ze hebben gejuicht en gezongen: loof de Heer, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee.
Maar drie dagen later, als er zo gauw geen water voorhanden is, dan slaat de stemming al om. Ze gaan morren en muiten. De watersnood wordt verholpen.
Maar daarna krijgen ze trek in brood en in vlees. En gauw een beetje.
Ze zien maar 2 soorten dood: de dood in Egypte, in slavernij, maar wel met voldoende eten.
Of de dood in de woestijn, vrij, maar zonder eten, zonder drinken
.
En dus willen ze alweer terug. En ze geven Mozes de schuld van de hele expeditie.
Ze zien alleen maar dood, waar God de HEER hen juist het leven wil schenken.
Alles wat ze hoeven te doen is zich aan Gods leiding overgeven.
En het is gek, maar dat vinden ze te moeilijk. Ze kunnen het niet opbrengen.
Ze willen hun eigen gang gaan. En God moet ze daar dan gewoon bij helpen. Daar is Hij voor. Tenslotte, als Hij hen zo graag uit Egypte wilde leiden, nou, dan moet Hij er ook maar voor zorgen dat ze een beetje gladjes en ongeschonden door de woestijn komen.
Het lijken wel gewone mensen. Ze lijken wel een beetje op ons.
In de kerk waar ik als kind naar toe ging, daar werd ’s zondags altijd in het gebed tegen de HEERE God verteld wat we allemaal bereikt hadden en wat onze plannen waren.
Een eigen school, een eigen politieke partij, een eigen krant, eigen zending…God kon tevreden over ons zijn. En of hij al die organisaties maar wilde zegenen alstublieft. Amen.
Daar doet me dit aan denken. Het volk trekt zijn eigen agenda. En God moet daar aan meewerken. Dan zullen ze pas echt gelukkig worden. Denken ze.
Het schiet niet op allemaal.
God stelt zijn volk op de proef. Hij heeft grote plannen met ze. En Hij wil weten of ze echt vertrouwen in Hem hebben, voordat Hij ze op hun eindbestemming brengt.
Maar het volk stelt God juist op de proef. Ze proberen Hem uit. Hoe ver kunnen ze bij Hem gaan? Waar ligt de grens? Het zijn net kinderen. Het zijn net mensen.
Ze verzamelen teveel manna, ze zijn als de dood dat ze niet genoeg hebben.
Ze durven er niet op te rekenen dat de voorraad toereikend is voor de sabbat. Ook al heeft God het ze beloofd. Je kunt maar nooit weten, beter mee verlegen dan om verlegen.
God klaagt bij Mozes over het volk: waarom vertrouwen ze me toch niet?
En het volk klaagt bij Mozes over God. En Mozes klaagt over het volk bij God.
Het zijn geen vrolijke verhalen. Wel leerzaam. Want wij doen vaak hetzelfde.
Lucas
Het 2de verhaal over twijfel en gebrek aan vertrouwen, wordt verteld door Lucas.
Er zijn vrouwen bij het graf geweest, en die hebben engelen gezien.
De vrouwen hebben ons in verwarring gebracht, vertellen de Emmaüsgangers aan Jezus.
Tja, dat doet de waarheid wel vaker, je in verwarring brengen.
Als ze, na de herkenning, terugrennen naar Jeruzalem, met hun fantastische verhaal, dan roepen de anderen het hun al tegemoet: De Heer is waarlijk uit de dood opgewekt en Hij is aan Simon verschenen. Nu geloven ze het wel. Tenminste…dat zou je denken.
Maar net zoals wij soms heel ons leven naar de kerk gaan, en alle verhalen al eens gehoord hebben…en dan…op een dag…dringt het ineens echt tot ons door, dan pas…
En je denkt: waarom heb ik dat niet eerder zo gezien? Was ik horende doof en ziende blind?
Precies op die manier gaat het nu…
De Emmaüsgangers herkennen Jezus bij het breken van het brood.
En dat is niet toevallig.
Eerst zijn de Schriften opengegaan. Om het hart voor te bereiden.
En dan komt het breken en delen. Dat is maar niet een liturgische versiering, voor de afwisseling, omdat het anders zo saai wordt in de kerk. Nee, dat breken en delen, dat is ook verkondiging. En dan pas zien ze het, in dat vertrouwde gebaar, die vertrouwde handen, met daarin…die tekenen van de wonden. Daaraan herkennen zij Jezus. En ze rennen terug naar Jeruzalem, die twee. Dat moeten de anderen weten.
De littekens
Als ze hun verhaal nog aan het vertellen zijn, de Emmaüsgangers, dan staat Jezus zelf plotseling in hun midden. En je zou toch denken dat iedereen onmiddellijk “aha” roept, en “dat hadden we wel gedacht”. Maar nee. Ze zijn verbijsterd en door angst overmand.
Hoe kan dat nu toch? Of begrijpen we dat wel?
Hoe zouden wij reageren als er iemand die wij goed kenden uit de dood zou terugkeren?
Het is natuurlijk niet te geloven. Het kan ook helemaal niet. Maar Jezus deed het. Hij wel.
Ook hier is iets tastbaars nodig voordat de leerlingen het kunnen geloven.
Daarin zijn ze net als wij. Zijn ze net als het volk in de woestijn. Woorden zijn geduldig, maar tekenen overtuigen pas echt. Steeds als er water tevoorschijn getoverd was, geloofde het volk weer even. Steeds als er vlees uit de lucht kwam vallen, en brood…ja, dan.
De vrienden van de HEER zijn net als wij. Ze kunnen niet geloven wat er voor hun ogen gebeurt. Jezus moet ze iets tastbaars in handen geven.
Hij vraagt iets te eten, brood en vis. En dan toont Hij hen zijn handen en voeten.
En dat vind ik altijd zo ontroerend.
Als je door de dood heengaat, dan verander je klaarblijkelijk wel. Maria kan nauwelijks geloven dat het Jezus zelf is. Pas bij het horen van zijn stem is ze overtuigd.
De Emmaüsgangers herkennen Jezus eerst ook niet. Pas bij dat vertrouwde gebaar, en bij het zien van zijn handen…dan raken ze overtuigd.
Kijk naar mijn handen en voeten, zegt Jezus tegen zijn vrienden. Dan zul je zien dat ik het zelf ben. Je verandert door zo’n doodservaring. Maar je diepste zelf, dat blijft bewaard.
En de littekens van alles waaraan je tijdens je leven hebt geleden, die blijven.
In het boek der Openbaringen staat het lam voor Gods troon. Het staat er als geslacht.
Het leed is Hem niet voorbijgegaan, maar Hij staat!
Ook een mens komt er niet ongeschonden vanaf. De littekens worden niet uitgewist door de dood, maar ze worden op een hoger plan geheven. Ze worden verzoend.
De Schriften
Woorden zijn geduldig, maar wonderen overtuigen pas echt, zei ik.
Dat betekent niet dat de Woorden niet nodig zijn, zeker niet.
Je kunt best geloven zonder naar de kerk te gaan en zonder de Bijbel te lezen, zeggen mensen soms uitdagend. En ik geloof vast dat het kan, natuurlijk. De Geest waait waarheen hij wil en wij kunnen het geloof niet binnen de kerk opsluiten. Gelukkig niet.
Maar de weg die Jezus zelf wijst loopt via de Schriften.
Tot 3 keer toe haalt Hij de Schrift aan als bewijs dat de weg die Hij gegaan is, niet maar een mislukt experiment is geweest, maar een doelbewuste keuze.
Eerst zegt Hij tegen de Emmaüsgangers: “moest de Messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan”? En daarna, zegt Lucas, verklaarde Jezus hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond en Hij begon bij Mozes en de profeten.(vers 26)
Wat zou ik die preek van Jezus graag gehoord hebben. Waar precies zag Jezus zichzelf als de vervulling van profetieën? Waar zag hij zelf zijn levensweg al uitgetekend?
We weten er weinig van.
En daarna zegt Hij, tegen de hele groep leerlingen: “toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes , bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan” (vers 44).
En daarna, zegt Lucas, maakte Jezus hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. Klaarblijkelijk gaat dat niet vanzelf, zelfs niet als je altijd goed oplet in de kerk. Er moet nog iets anders gebeuren, een ingrijpen van boven.
Vandaar het gebed om verlichting met de Heilige Geest, voordat we de Schriften openen.
Ten derde maal zegt Jezus in dit verhaal: “er staat geschreven dat de Messias zal lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zal opstaan uit de dood” (vers 46).
Drie keer, uit de eigen mond van Jezus, hebben we nog meer bewijs nodig?
Tenslotte
Kun je ook geloven zonder de Schrift te kennen? Vast wel.
Maar de weg die Jezus wijst gaat toch via de Schriften.
Daaruit leer je de hoogte en de diepte van Gods liefde kennen.
En van de verhalen van onze voorouders kunnen we misschien wat leren.
B.v. hoe je door twijfel en ongeloof in de woestijn kunt blijven hangen en als je niet oppast kom je er nooit meer uit.
Terwijl het toch steeds Gods bedoeling was dat je zou wonen in het land van melk en honing
Maar ja, sta je Hem wel toe je erheen te leiden? Of weet je soms een betere weg?
En wat kunnen wij leren van die vrienden van Jezus?
Dat wij niet ongelovig moeten zijn, maar gelovig?
Dat we niet, terwijl Hij voor ons staat, nog zeggen dat het niet kan?
Omdat een mens immers niet uit de dood kan terugkeren?
Nee, het kan ook niet. Dat weten we allemaal. Maar Jezus deed het. Hij wel.
Ik probeerde het de catechisanten uit te leggen.
Dat Jezus een gat in de dood heeft gemaakt en dat Hij er dwars doorheen ging.
En dat Hij uitkwam in een heel ander soort leven, een eeuwigheidsleven.
Goh, tof hee, zei een jongen. Dat zou ik ook wel willen.
En dan komt nu het goede nieuws, zei ik.
Want dat gebeurt met jou ook.
Als je met Hem meegaat door het leven, dan mag je ook met Hem meegaan door zijn dood.
En dan kom je uit waar Hij is.
Goh, tof hee, zei de jongen weer.
Ja, dat noemen we Pasen, zei ik.
Amen.
Preek 11 april 2010 Ex. 15,16 en Lk.24
Gemeente van onze Heer Jezus Christus, gasten in ons midden,
Inleiding
Twee verhalen over brood vandaag. Dit gaat over het leven van alledag.
Na alle hoge tonen en de grote woorden van Pasen nu weer met beide voeten op de grond. Na de viering van de wonderbare opstanding van onze Heer terug naar het hier en nu.
Geef ons heden ons dagelijks brood. Het valt niet mee.
En toch is het, psychologisch gezien, heel goed dat juist deze beide lezingen op het rooster staan. Al eeuwenlang. Onze voorouders waren lang niet gek. Het koninkrijk is aangebroken, de dood is overwonnen. Maar wat merk je ervan? Daar hadden zij ook al last van.
Het volk in de woestijn en die mannen op weg naar Emmaüs, ze verwoorden onze eigen twijfels, onze eigen moeite bij het geloven van Gods grote daden.
Zeker als na het feest het gewone leven weer begint.
De kater kan groot zijn, ook bij ons, als we na een feest, welk feest ook, weer gewoon verder moeten. In de beide lezingen van vandaag wordt volop rekening gehouden met de menselijke maat. Het ongeloof en het onbegrip krijgen een plek. Geen vroom en stichtelijk verhaal, met mensen die meteen doorzien wat Gods bedoeling is. Onze voorouders waren geen heiligen maar gewone mensen. Net als wij. Dat is een troost voor ons.
Dood of leven
Het volk is door de zee getrokken. Ze hebben gezongen voor God: zing de Heer want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in zee. Ze hebben gejuicht en zijn enthousiast de woestijn ingetrokken. Op weg naar het beloofde land.
Maar de barre werkelijkheid is na 3 dagen al genoeg om de stemming te laten omslaan.
Er is geen water. En in plaats van de HEER aan te roepen, gaan ze morren en muiten.
Gaan ze twijfelen aan de leiding van God. Als Hij ze zo graag vrij wil maken, waarom zorgt Hij er dan niet voor dat ze gladjes en ongeschonden door die woestijn heen komen?
Zeker, ze vinden uiteindelijk water, maar het smaakt bitter. Mara.
De HEER maakt het weer zoet, maar de twijfel aan Gods leiding is er al ingeslopen.
En na de ontbering, 3 dagen zonder water, komen ze bij een oase waar maar liefst 12 waterbronnen zijn. Het is alles of niks. Het lijkt ons eigen leven wel. En waar is God in heel dit verhaal? Waar is God in ons eigen leven?
Zorgt Hij zelf voor dorst misschien, omdat Hij hoopt dat we tot Hem gaan roepen? Is dat het?
Maakt Hij zelf het bittere zoet? Door een stuk hout? Een houten kruis misschien?
Hoe het ook zij, na de dorst komt de honger. En opnieuw roepen de mensen niet tot God, maar ze gaan morren en muiten. Waar hebben we dit nu weer aan verdiend, roepen ze.
Het is sterven hier in de woestijn, zonder water, zonder brood, zonder vlees.
Of het is sterven in Egypte, door het harde werk, maar daar hadden we tenminste te eten.
Laten we dan maar teruggaan.
Dit gaat niet meer alleen over eten en drinken.
Nee, ze twijfelen aan Gods bedoeling met hun leven.
Zij zien alleen nog maar 2 soorten van dood, bij de vleespotten of hier in de woestijn.
Terwijl God juist wil dat ze léven zullen. En dat kan ook, als ze zich maar aan zijn geboden houden. Maar het is gek: dat lukt maar niet.
God geeft ze water, Hij geeft ze brood, Hij geeft ze vlees.
Maar in plaats van overtuigd te raken van zijn goede bedoelingen, gaan ze steeds weer twijfelen. Zolang God alles goed maakt, gaat het nog wel. Maar bij de eerste de beste tegenslag, hup…daar gaan ze weer, het is om wanhopig te worden.
Zo wanhopig als God misschien wel eens wordt van ons!
Als alles goed gaat, natuurlijk, dan kunnen we wel geloven en vrome liederen zingen.
Maar wat doen we als alles tegenzit? Tot God roepen, of morren en muiten?
Hij geeft ons toch ook brood op tafel! En wijn!
De Emmaüsgangers
Twee verhalen over brood. Maar het zijn ook verhalen over leven en dood.
De mensen stellen God op de proef, om te zien of Hij te vertrouwen is.
En God beproeft zijn mensen, om te zien of hun geloof het houdt.
Het geloof van het volk in de woestijn blijkt maar een flinterdun laagje.
Daaronder zit zwaar, solide ongeloof, egoïsme, kortzichtigheid.
De leerlingen die Jeruzalem verlaten, op weg naar Emmaüs, zien het ook niet meer zitten.
Van één van hen horen wij de naam, het is Klopas.
Hoe de ander heet, weten we niet. Het is alsof die persoon met opzet wat vaag wordt gelaten. Wij hadden daar kunnen lopen.
En hoe vaak lopen wij inderdaad niet zo? Na het verlies van een dierbare, of na het verlies van een illusie? Na het verlies van onze droom, het verlies van onze gezondheid.
We zien het niet meer zitten. Hoe kan dit ooit nog goed komen? Waar is God nu?
En we zijn, net als de Emmaüsgangers, blind voor wie er naast ons gaat.
Ze leggen het Jezus uit, een beetje meewarig, alsof Hij de blinde is en niet zij.
Bent u de enige vreemdeling in de stad die niet weet wat er gebeurd is, vragen ze?
Wat een mislukte woordspeling. Want wie is er nu eigenlijk doof en blind?
Wie heeft er niet geluisterd naar de vrouwen, die zeiden dat ze engelen gezien hadden?
Hoe vaak zal het ons gebeurd zijn dat we ergens om gesmeekt hebben en de verhoring over het hoofd hebben gezien, omdat ten diepste niet echt in wonderen geloven.
Wet en profeten
En dan legt die vreemdeling die bij ze is de Schriften uit. Zonder de Schriften geen begrip voor wat opstanding betekent. Kun je geloven zonder naar de kerk te gaan en zonder de Bijbel te lezen? Zeker, het kan vast. God kan alles.
Maar dit is de weg die Jezus wijst, de weg die in de Schriften al wordt aangewezen.
Het geloof is door de verkondiging, door het woord.
En het Woord is brood voor onderweg.
Jezus, die naast ze loopt, Hij is het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald.
En als Hij de Schriften opent wordt het hun warm om het hart.
Jezus is hartverwarmend, zijn woorden vallen als water op dorstige bodem, als voedsel in een uitgehongerde maag. Die 2 leerlingen willen hem vasthouden, zoals Maria hem wilde vasthouden, toen ze hem zag na zijn opstanding.
Blijf bij ons, zeggen de leerlingen, want het is avond, en de nacht zal spoedig komen.
En Jezus doet het. Hij neemt zijn intrek in hun huis.
Zoals Hij zijn intrek bij ons wil nemen. Als we het hem maar vragen.
Maar wees er dan op bedacht dat hij zal veranderen van gast in gastheer.
Je kunt hem niet onderbrengen in een logeerkamer, ergens op zolder, waar je hem af en toe eens opzoekt, b.v. op zondag een uurtje. En de rest van de week is het huis weer van jou.
Nee, zo gaat het niet. Hij wil je hele huis, Hij wil jou helemaal.
Hij neemt het brood op je tafel, zegent het, en geeft het je. En zodra je het aanpakt, herken je hem. Het is de Heer! En dan wordt je leven nooit meer zoals het was.
Je moet opstaan, net als de Emmaüsgangers, en je haast je om die blijdschap die opwelt in je hart, om die te delen met de anderen van je gemeente. Ik heb de HEER gezien, hijg je, en je valt elkaar in de armen. De vrede van Christus, zeg je tegen elkaar.
Tenslotte
De maaltijd des Heren is maar niet een extraatje, een liturgische versiering.
Het avondmaal maakt zichtbaar wat Jezus heeft gedaan en gezegd. Hij zelf is het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Ook de Maaltijd is verkondiging.
Zijn lichaam, zijn bloed is onze spijze, we voeden ons met wat Hij geeft en daardoor blijven we in leven en daardoor groeien we. In liefde, in geloof, in goede werken. We groeien naar God toe en naar elkaar. Dwars door twijfel en ongeloof heen trekken we door woestijnen en door rivieren. Vanuit Jeruzalem naar huis. Maar we gaan niet alleen. De Heer is onze reisgenoot. Hij deelt met ons het daaglijks brood. En wij met Hem en met elkaar. Amen.
Preek Paasmorgen 2010 Joh. 20: 1-18
Gemeente van onze Heer Jezus Christus, gasten in ons midden,
Inleiding
We hebben vannacht ook al de opstanding gevierd, de nieuwe Paaskaars werd binnengedragen: symbool van het licht van Christus dat niet uit te doven viel.
Zijn licht dat het won van het duister, zijn liefde die sterker bleek dan de dood.
En we hadden water in het doopvont, omdat allen die gedoopt zijn, als het ware ondergegaan zijn in Christus’ dood, en met Hem opgestaan zijn tot een nieuw leven.
Dat was allemaal vannacht al.
Maar als u er vannacht niet bij was, dan hoeft u niet bang te zijn dat alles al gezegd is.
Pasen begint wel in de nacht, omdat in de Bijbel elke dag begint in de avond.
Denk maar aan Genesis: het was avond geweest en morgen, de eerste dag.
Vanaf de schepping worden zo de dagen geteld.
Pasen begint dus ook in de nacht, in het donker.
Maar in de morgen, als we om 10 uur in de kerk komen, dan begint het ons allemaal pas goed te dagen. Dan zien we meer licht in dat onbegrijpelijke opstandingsverhaal.
Dan is onze stem iets meer wakker.
Dan kunnen we beter en hoger halleluja zingen.
Dan zijn ook de kinderen erbij, en meer ouderen.
De Paasmorgendienst is als een uitroepteken van het hele Paasfeest.
Bovendien zal er vanmorgen iemand opstaan. Net als Jezus.
Opstaan en belijdenis doen. En dat maakt ons allemaal blij.
Opstanding
Opstanding is hard nodig. Ook nu nog. Want er is vaak zoveel dat ons bang maakt, boos of verdrietig. Dingen die ons als een steen op de maag liggen.
En wij willen zo graag dat iemand die steen wegrolt uit ons leven.
Wij bouwen zo vaak muren om ons heen, omdat we bang zijn onze gevoelens te laten zien.
Bang om afgewezen te worden om wat we voelen, om wie we ten diepste zijn.
En we willen zo graag dat iemand de steen wegrolt, zodat we voor de dag kunnen komen.
We zijn vaak zo bang voor het donker. Bang dat het donker nooit meer overgaat.
Terwijl we toch sinds Pasen weten mogen dat het licht het uiteindelijk zal winnen.
En we hopen dat iemand de steen wegrolt en ons weer in het licht zet.
Maria ging naar het graf om haar Jezus te bewenen. Ze had gezien dat de steen voor het graf was gerold. Hij was herinnering geworden, voor Maria hoorde Jezus al in het verleden.
En als wij niet oppassen doen wij hetzelfde.
Wij lezen de verhalen of we luisteren naar de Mattheüs Passion en we zeggen: mooi he?
En we eten nog een paaseitje en daarna leven we verder alsof Hij niet is opgestaan.
Maar dat is Hij wel!
Jezus is niet iemand uit het verleden, een nobel mens, rechtvaardig en goed.
Zeker, dat was hij ook, maar Hij is meer.
We moeten niet in de verleden tijd over hem praten.
Hij leeft! Hier en nu, en waar niet. Hij is waarlijk opgestaan.
Overtuigend
Het verhaal is overtuigend genoeg opgeschreven.
Johannes beschrijft die gebeurtenis op de Paasmorgen tot in de kleinste details.
Al die pietepeuterige kleinigheden in het grootste verhaal van de wereldgeschiedenis!
Zo’n verhaal verzin je toch niet!
Wie heeft toch het slappe verhaal verzonnen dat de leerlingen zelf de opstanding bij elkaar gefantaseerd hebben.
Dat ze gezegd hebben: als wij doorgaan met wat Hij ons heeft voorgedaan, dan is Hij niet echt gestorven.
Ze zijn juist nergens op voorbereid, ze hebben aanvaard dat hun Heer dood is en begraven.
Er treedt een ongelooflijke verwarring op, ontzetting, onbegrip, als blijkt dat het graf leeg is.
Petrus kijkt erin, maar hij is ziende blind.
De andere discipel, waarschijnlijk Johannes, die dit verhaal geschreven heeft, gaat ook naar binnen. Hij ziet het en gelooft. Het begint langzaam-aan te dagen bij hem.
Maria is het meest vasthoudend van de drie. Ze weigert weg te gaan.
Ze wil het lichaam zien. Een dode Jezus is altijd nog beter dan geen Jezus.
En dan ziet zij de boodschappers van God.
Het lijken wel dopelingen, met hun witte gewaden.
Het open graf is een doopvont geworden.
We zijn toch ook gedoopt in zijn dood, opgestaan tot een nieuw leven!
Het wit is het heldere wit van de nieuwe dageraad.
Tenslotte
En dan wordt Maria bij haar naam geroepen.
Daarmee begint altijd de opstanding, en ook in uw leven kan dat gebeuren.
Dat je bij je naam wordt geroepen, dat de stem van God in je eigen hart gaat klinken.
Daarom is de doop ook zo belangrijk. Ook dan wordt jouw naam uitgeroepen en bij die van God gelegd. Je wordt gekend, echt gekend, dieper nog dan je jezelf kent.
Onze God is maar niet een God van vroeger, van je ouders of van je grootouders.
Hij is erbij, hier en nu, en waar niet. In Jezus is Hij erbij.
Maria wordt geroepen, en dan wordt alles duidelijk.
Dan beseft ze pas echt dat Hij leeft!
Straks wordt Cor Ramp bij zijn naam geroepen.
En als hij ‘ja’ zegt dan heeft hij een belangrijke stap gezet achter Jezus aan.
Jezus, die waarlijk is opgestaan. En dat is belangrijk.
Want daar draait het om in het leven.
Als Hij niet was opgestaan, dan hadden wij ook geen hoop op de opstanding.
Maar nu wel, Hij heeft het mogelijk gemaakt.
Een pad door de dood heen, zoals het volk Israël door de zee heenging.
De dood is dood. Voorgoed. Jezus maakte een pad erdoorheen.
Voorbeeld
Ik eindig met een waar gebeurd verhaal.
Ik sprak deze week met iemand over zijn plannen voor dit paasweekend.
Hij ging pokeren, ergens in Duitsland, en hij vertelde er smakelijk over.
En omdat het een aardige man was, vroeg hij daarna naar mijn plannen.
Hij wist niets van kerk of geloof af. Het was hem volkomen vreemd.
Ik vertelde enthousiast over de paasnacht en de nieuwe paaskaars.
Hij begreep er niks van. Waar slaat dat op dan?
En ik vertelde dat de paaskaars symbool was van het licht van Christus.
Dat we met Pasen vierden dat het licht het duister overwonnen had.
Dat de dood niet het laatste woord had gehad. Vandaar het nieuwe licht van de paaskaars.
Hij moest er even over nadenken.
En zei toen: maar dat klopt toch niet? De dood heeft toch wel het laatste woord?
We gaan toch allemaal een keer dood? U toch ook?
Ik was met stomheid geslagen.
Maar daar zit toch precies de kern van het christelijk geloof, zei ik.
Daar gaat het nou net om.
De kerk gelooft, ik geloof, dat ik na mijn dood bij God verder leef.
Hoe precies, dat weet ik niet. Maar dat het gebeuren zal, dat weet ik zeker.
Daar heeft Jezus door zijn opstanding voor gezorgd.
Goh, zei de man, dat is niet niks. Dat lijkt me een hele troost als je sterven moet.
Dat is het ook, zei ik. Daar gaat het om met Pasen.
Niet alleen Jezus is opgestaan. Maar wij allemaal mogen opstaan!
Halleluja! Amen.
Preek zondag 14 maart 2010 Ex. 7: 8-13 en Lk. 15: 11-32
Gemeente van onze Heer Jezus Christus, gasten in ons midden,
Inleiding
Twee verhalen over verloren raken en weer gevonden worden.
Over de verloren zoon, die zijn vader weer terugvond.
En over het volk Israel, dat zichzelf en dat God kwijtgeraakt was, omdat ze waren blijven hangen in Egypte. Ze hadden best terug kunnen gaan naar hun eigen land, o al eeuwen geleden, maar ze hadden het zeker te goed gehad. En als je het te goed hebt dan word je slap en gemakzuchtig. Dan kom je niet meer zo gauw in actie. Je denkt bij alles: het zal wel, als ik het maar goed heb. God, ja, daar zijn wel oude verhalen van, maar wie was dat ook alweer. Ach ja, we zorgen er tegenwoordig zelf voor dat we het hier goed hebben.
Dan hebben we God niet meer nodig.
En toen er steeds meer maatregelen kwamen die hun leven moeilijk maakten,
toen pasten ze zich steeds een beetje aan.
En tenslotte was het te laat, toen zaten ze in de val, ver van Gods hart, ver van hun vaderland.
De Farao had de macht en hij liet ze werken als slaven. Hij nam hun vrijheid en hun kinderen af.
En omdat ze het zo goed hadden gehad, hadden ze nooit geleerd ergens voor te vechten.
Er zat geen pit meer in. Geen vechtlust.
En toen pas, toen het te laat was, toen gingen ze roepen, tot de hemel, tot God.
Want nood leert bidden.
Exodus
En God hoorde het wel. Hij hoort ons altijd als we tot Hem roepen. En Hij stuurde Mozes.
Het is altijd hetzelfde liedje: God wil de wereld best bevrijden, maar wij moeten het doen!
Hij wil de hongerige mensheid wel brood geven, maar wij moeten voor dat brood zorgen.
Hij wil graag dat deze gemeente groeit en bloeit, maar iemand moet het werk doen.
God stuurt Mozes en Aäron naar de Farao, maar die wil niet luisteren.
Hoe gaan Mozes en Aäron daarmee om, met tegenstand? Zullen ze het volhouden?
Hebben zij wel pit, hebben zij wel vechtlust? Hebben zij vertrouwen op God?
En hoe zit dat met ons? Hoelang houden wij het vol, als alles tegenzit?
Vertrouwen wij erop dat God toch een plan met ons leven heeft?
God heeft Mozes en Aäron buitengewone kracht gegeven. Aäron gooit zijn staf op de grond en die verandert in een slang. En de tovenaars van de Farao kunnen dat kunstje wel herhalen, maar ze kunnen niet voorkomen dat de staf van Aäron die van hen verslindt.
De slang was voor Egyptenaars het symbool van eeuwig leven. De slang kroop ieder jaar uit zijn vel, en begon dan weer een nieuw leven. Zo zagen zij dat. Dat hun symbool werd overweldigd door de macht van die nieuwe, vreemde God, dat had ze al te denken moeten geven. De Farao let niet goed op, maar dat komt vast ook omdat hij niet verwacht dat 2 oude slaven, mannen van 80 en 83 jaar, wonderen zouden kunnen doen.
Wij zouden beter opgelet hebben, want wij hebben oude, ja zeer oude mensen in ons midden, en die verrichten nog dagelijks wonderen. Dat weten we allemaal.
Maar de Farao verhardt zijn hart, en daardoor ziet hij niet wat zich voor zijn ogen afspeelt. Het gaat helemaal niet om tovenarij, om kunstjes, het is bittere ernst.
Maar voor de Farao gaat het vooral om macht, zijn status als godheid staat op het spel.
Als hij toegeeft, gaat hij af voor de ogen van heel het volk.
Nee, de Joden moeten in den vreemde blijven, ver van het eigen land, ver van het vaderhuis.
De thuisgebleven zoon
En zo komen we uit bij die zoon, die ook ver van huis en haard in den vreemde verkeert.
De gelijkenis van de verloren zoon, zoals dit verhaal heet. Al gaat het minstens zozeer over de thuisgebleven zoon. En al gaat het minstens zozeer om de wachtende Vader.
Het is het derde verhaal dat Jezus vertelt over verliezen en weer terugvinden.
De eerste twee verhalen gingen over een verloren schaap en over een verloren muntstuk.
En het zijn geen vermanende levenslessen, zo van: pas op dat je niets verliest.
Of: wees toch zuinig op je spullen.
Nee, eerder andersom: je zou bijna wensen iets te verliezen, of om zelf verloren te raken. Omdat Jezus zoveel nadruk legt op de vreugde over het terugvinden.
En Hij benadrukt dat zijn Vader juist op zoek is naar het verlorene.
En daarin lijkt Jezus op zijn Vader.
Ook hij gaat vooral om met mensen die wij misschien niet zo zouden zien zitten.
De moraal van dit verhaal is dan ook niet: wees altijd braaf en doe altijd wat Vader zegt.
Nee, Jezus vertelt een verhaal dat nieuwe moed wil geven aan iedereen die weggelopen is en eigenlijk wel terug wil. Doe het maar, zegt hij, je zult zien dat de Vader al op de uitkijk staat. En als wij, net als de oudste zoon, toevallig of door eigen keuze nooit bij de Vader zijn weggegaan, laten we ons vooral verheugen in zijn liefde, die altijd om ons heen is.
Laten we dat niet gewoon gaan vinden, maar er van genieten.
Laat die liefde ons hart vervullen, en laat het aan ons te zien zijn dat wij van de liefde leven.
Alles wat van mij is, is ook van jou, zegt de Vader uit de gelijkenis tegen zijn oudste zoon.
Alles wil God ons geven. Maar Hij kan ons niet dwingen om het aan te nemen.
Wat weerhoudt ons ervan om ons aan zijn liefde over te geven? Waar zijn we bang voor?
Je leven kan er alleen maar zinvoller van worden, vervulder.
Niet per sé gemakkelijker, want leven met de Vader betekent ook dat je elke dag de Vader helpt bij alles wat Hij wil doen. En dat valt niet altijd mee.
Maar je zult je wel elke dag kunnen koesteren in zijn liefde.
De verloren zoon
En laten we oprecht blij zijn als er iemand weggelopen is en weer wordt teruggevonden.
Wij hebben altijd al wat die ander zo lang heeft moeten missen.
De liefde die God altijd al voor ons voelt, wordt niet minder als er een ander bijkomt.
Het is de verrassende ontdekking voor elke ouder, die een tweede kindje krijgt: dat je van dat tweede kind weer net zoveel kunt houden als van dat eerste.
Dat het eerste kind niet minder geliefd wordt, doordat het de liefde van zijn ouders moet delen met een ander. Liefde is één van de weinige dingen die meer wordt door het te delen.
De oudste zoon denkt dat de liefde van zijn vader voor de jongste afgaat van zijn portie liefde voor hem. Maar hij heeft het mis. Zo werkt het met de liefde van de Vader niet.
Veel mensen kunnen het zich heel goed verplaatsen in de oudste zoon. Die moet maar niet denken dat alles zo gemakkelijk gaat. Zondigen, weglopen en dan zomaar weer terugkomen.
En dan moeten wij zeker zo iemand in de kerk hartelijk welkom heten.
Eén van de catechisanten zei, toen ik dit verhaal verteld had: ik zou ook kwaad zijn, als ik die oudste zoon was. Laat die jongste zoon eerst maar eens bewijzen dat –ie echt veranderd is.
Maar, stel je nou es voor dat ik die verloren zoon was. Dan zou ik wel graag zo’n vader hebben. Nou, bof jij even, zei ik. Jij bent die verloren zoon. En je hebt zo’n Vader.
Daar gaat het nou precies om in het christelijk geloof.
Tenslotte
Dit verhaal staat niet toevallig op het rooster in de 40-dagen tijd. Het is een echt paasverhaal. Net zoals het verhaal uit Exodus, over mensen die bevrijd worden uit het land van duisternis. Zo vindt ook de verloren zoon de weg naar huis terug, naar God terug.
Want God is die Vader die op de uitkijk staat, om te zien of jij, zijn kind, al bijna thuiskomt.
Hij weet dat zijn kind op eigen gekozen wegen niet gelukkig kan worden.
Maar hij laat zijn jongste zoon zelf de ervaring opdoen. Dat is de enige manier om te leren.
Pas als de jongen tot het inzicht komt dat hij zich op een doodlopende weg bevindt, pas dan staat hij op om naar zijn vader terug te gaan. Ziet u wel dat het een paasverhaal is? Hij staat op, hij ook al. Net zoals Jezus.
Jezus verliet het Vaderhuis, en ging mét ons onze doodlopende weg ten einde toe.
Hij gaf zich verloren gegeven in den vreemde, en at met ons de schillen van het leven, in plaats van vast te houden aan het echte leven bij zijn Vader. Zo lief had hij ons.
En hij wil ons meenemen, uit den vreemde vandaan, weg van de doodlopende wegen. Om ons bij de Vader terug te brengen, die geen voorwaarden vooraf stelt. Kom maar, zegt Hij.
Je bent mijn kind en je blijft mijn kind. Ik hou van je. Kom maar. Amen.