Preken
Inhoudsopgave preken:
Preek 29 januari 2012 Doopdienst Melanie Lia Ooms
Preek 15 jan.’12 Week van Gebed voor de Eenheid
Preek 8 januari ’12 1 Korinthe 6: 9-20
Preek 1 januari 2012 Numeri 6: 22-27; Lk. 2: 21
Preek 29 januari 2012 Doopdienst Melanie Lia Ooms
Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,
Inleiding
Er zit veel humor in dit verhaal over Jona.
Het gaat over een man die anderen moet gaan redden (de mensen in Ninevé), maar eerst moet hij zelf gered worden.
Hij zit in de buik van de vis, zoals een kindje in de baarmoeder zit.
Hij wordt opnieuw geboren als de vis hem weer uitspuugt.
Gered door het water heen.
En daarom is dit zo’n goed verhaal om bij een doop te vertellen.
Want ook de kleine Melanie wordt vandaag opnieuw geboren, symbolisch gezien.
Gered door het water heen.
Kopje onder, even dreigt ze straks te verdrinken in het water van de doop, symbolisch dan. Want we gebruiken hier maar weinig water.
Maar Gods hand haalt haar erdoor en brengt haar veilig op het droge, net als Jona.
En dan heeft Melanie er een naam bij, we zingen daar na de doop een liedje van.
Je hebt al een naam, maar je krijgt er één bij op dit feest.
Want jij wordt gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Jona 1
Jona weet al van die Naam van God en dat die garant staat voor alle goede dingen.
Hij zegt het, als hij merkt dat God die goddeloze stad toch niet gaat verwoesten.
Ach ja, zegt hij sarcastisch. Ik dacht het al wel, God.
Daarom wilde ik niet naar Ninevé toe, zoals U zei.
Ik dacht: die verwoesting, je zal zien, dat gaat vast niet door.
Want U bent een God die genadig is en liefdevol.
Geduldig en trouw en altijd bereid om te vergeven.
Wat Jona hier vol boosheid zegt, is eigenlijk een prachtige geloofs-belijdenis.
In de naam van die God, die genadig is en liefdevol.
Die geduldig is en vol trouw en altijd bereid om te vergeven,
in de Naam van die God gaan wij Melanie straks dopen.
En we kijken elkaar stralend aan: hebben wij geen geweldige God?
Is Hij niet fantastisch? Wat een geluk, dat wij bij Hem mogen horen.
En we sporen elkaar aan om steeds meer op Hem te gaan lijken.
Om ook genadig voor elkaar te zijn en liefdevol.
Om steeds geduldiger te worden en steeds trouwer.
Om steeds meer werk te maken van de vergeving.
En daarom willen Jeroen en Martine ook dat hun kindje gedoopt wordt.
Omdat we daar in de kerk aan werken. En de wereld heeft zulke mensen nodig!
Jona 2
Of Jona ook veranderd is na zijn natte avontuur, dat weten we eigenlijk niet zo goed.
Aan het eind van het verhaal zit hij nog steeds te mokken, onder zijn inmiddels verdorde wonderboom.
De mensen in Ninevé zijn dan al bekeerd, maar Jona lijkt niet erg veranderd.
Hij had het wel mooi gevonden, zo’n stad die verwoest wordt. Hij gedraagt zich als de eerste de beste ramptoerist. Maar God wijst hem zachtzinnig terecht.
Heidenen bekeren valt niet mee, maar kerkmensen bekeren is een heidens karwei.
Het verhaal begint ermee dat God Jona naar Ninevé wil sturen om de mensen daar te zeggen dat het niet deugt, zoals ze leven. God zag het wel en Hij was er boos om.
Zoals God ziet hoe wij leven, en daar boos om is, of verdrietig. Of juist blij, misschien
Jona moet de mensen en de manier waarop ze leven, gaan aanklagen om het kwaad dat ze bedrijven. Want dat is ten hemel schreiend. Letterlijk, want God heeft het gehoord. Wie klaagt ons aan, om wat wij niet goed doen? Onze partner, ons kind, een goede vriend? En luisteren wij dan ook? Jona niet. Hij heeft er geen zin in.
Hij heeft er geen vertrouwen in dat de mensen daar hun leven gaan beteren.
Maar bovendien is hij bang dat God zich op het laatste moment zal bedenken en de stad niet zal verwoesten. En dan staat hij, Jona, mooi voor aap.
Al zijn werk voor niks. Nee, hij begint er niet aan.
Hij gaat de andere kant op. Heel herkenbaar. Zoals wij immers ook wel eens doen, als we denken dat God iets van ons wil. Of als mensen iets van ons willen. We weten dat we het horen te doen, maar we hebben er geen zin in. En daarom gaan we de andere kant op en doen net alsof we eigen baas zijn. Bij mensen lukt dat wel eens. Maar bij God niet. O nee. Hij houdt vol, als Hij vindt dat jij echt daarheen moet.
God stuurt in het geval van Jona een storm.
Bij mij stuurt Hij wel eens een knagend stemmetje in mijn geweten.
Anderen zeggen: toen ik ziek werd, ervoer ik dat God mijn leven stilzette, om eens goed na te denken over waar ik nou eigenlijk mee bezig was.
Weer anderen doen half tegenstribbelend wat God wil, en ontdekken dan dat hun leven er rijker van geworden is, beter, liefdevoller.
Jona gaat nat, hij valt diep, maar God stuurt een vis, en die slokt Jona op.
Hij krijgt tijd om na te denken. Om te bidden.
Na 3 dagen wordt hij weer aan wal gezet, op de plek waar hij begonnen is.
Ziezo, zegt God: de bel voor de tweede ronde. Een nieuwe kans. Je mag opnieuw beginnen. En nu doe je wat ik zeg. Want ik weet beter dan jij wat er moet gebeuren.
Vis
Nog even over die vis: het is niet toevallig dat er een vis langskomt die Jona redt.
Het had ook een boot kunnen zijn. Of een stuk hout waarmee hij kon drijven.
Maar nee, het is een vis.
En de vis, dat was het oersymbool waaraan de eerste christenen elkaar herkenden.
Ze tekenden achteloos een visje in het zand, en als dan hun gesprekspartner ook zo’n visje tekende, dan wist je: dat is ook een christen.
Waarom een vis? Vanwege Jona natuurlijk, die gered werd door een vis.
En een vis, die heette in de taal van die tijd (het Grieks) “Ichthus”.
En de letters van dat woord staan voor titels van Jezus.
Jezus Christus, zoon van God, redder.
De kerk verkondigt dat Christus ons heeft gered.
Waarvan? Van onszelf. Van alles waar we aan vast zitten. Van alles wat ons klein wil houden en wat ons ongelukkig maakt. Van de zonden. Van de dood.
Want als we achter die vis aangaan, die Ichthus, die zoon van God….
Als we hem volgen in zijn manier van leven, dan mogen we hem ook volgen in zijn dood en in zijn opstanding.
Dat zit ook in dat dopen. Ondergaan in het water, in de doop, in de dood…met Christus gestorven en dus ook weer met hem opgestaan tot een nieuw leven.
Een nieuwe kans, voor ieder die gedoopt wil worden. Dat vieren we vandaag.
De vis, Christus, wil ook ons redden, door het water heen. Want Hij is liefdevol, en trouw, en genadig. Vol van vergeving. Amen.
Preek 15 jan.’12 Week van Gebed voor de Eenheid
Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,
Inleiding
Een mooie lezing voor vanmorgen, maar met moeilijke woorden:
vergankelijk tegenover onvergankelijk, sterfelijk tegenover onsterfelijk.
U boft maar dat ik ooit, 9 jaar geleden, mijn scriptie gemaakt heb over dit hoofdstuk.
1ste brief van Paulus aan de mensen in Korinthe, hoofdstuk 15.
Ik zou u dus wel moeten kunnen uitleggen waar dit over gaat.
Het gaat over winnen. En wie wil er nu niet winnen? Iedereen toch?
De kerken uit Polen zijn dit jaar met deze tekst gekomen.
En misschien hebben zij ook al gedacht aan het Europees Kampioenschap Voetbal, dat dit jaar wordt gehouden in Polen en de Oekraïne.
Ik weet niet of ze een kans hebben om dat kampioenschap te winnen, maar ‘winnen met gevouwen handen’…dat klinkt alsof ze ervoor willen gaan bidden.
En bidden…zo heb ik ooit geleerd…dat doet nooit niks!
Bidden doet nooit niks. Het is een krachtig wapen.
Uit de Bijbel kennen we vele verhalen waarin mensen gingen bidden en soms gebeurde er dan een wonder. God hoort onze gebeden altijd, ook al verhoort Hij ze niet altijd zoals wij graag zouden willen.
En soms bidden we wel, maar houden we er niet echt rekening mee dat we verhoord worden. Toen de apostel Petrus eens gevangen genomen werd, gingen zijn vrienden bidden voor zijn vrijlating. Even later werd er op de deur geklopt. Het dienstmeisje ging kijken en begon te gillen. Ze rende naar binnen, en riep dat Petrus voor de deur stond. Nee joh, zeiden de vrienden.
Dat kan helemaal niet, die zit toch in de gevangenis!
Ik ontmoette vorige week een oude tante, die haar ogen wijd open sperde toen ze mij zag. Hee, zei ze, jij hier? Hoe kan dat nou? Jij was toch zo ziek? Ik bid elke avond voor je! Nou, zei ik, dat heeft dan goed geholpen. Ga er vooral mee door, en u mag ook wel eens danken hoor, want het gaat hartstikke goed met me.
Bidden doet nooit niks. En soms winnen we het, van een ziekte, of van een donkere dreiging, niet omdat wij zo slim waren, maar door gewoon onze handen te vouwen.
1 Korinthe 15
Hoofdstuk 15 uit Paulus’ eerste brief aan de gemeente, de parochie, in Korinthe.
Er waren daar mensen in die gemeente die alles geloofden, behalve dat een mens uit de dood kon opstaan.
Onmogelijk, zeiden ze, jammer, maar dat kan nu eenmaal niet. Opstaan uit de dood!
O nee? schrijft Paulus terug.
En hoe verklaren jullie dan dat alle leerlingen Jezus gezien hebben na zijn dood?
En dat Hij ook verschenen is aan een grote groep van meer dan 500 mensen?
Sommige van die mensen zijn nog in leven, je kunt het zo bij ze navragen.
En als Christus wel is opgestaan, waarom zouden wij dan niet kunnen opstaan?
Als Jezus het kon, waarom wij dan niet? Wij zijn toch ook Gods mensen?
Dezelfde kracht die in Hem werkte, die werkt nog steeds, die werkt ook in ons!
Als we alleen maar in Jezus geloven, en Hij in ons, zolang we leven, en daarna is het over en uit, dan zijn we de beklagenswaardigste van alle mensen.
Als Christus in de dood is gebleven, dan stelt ons geloof niks voor.
Dan hebben we geloofd in een goed mens, ja nou, en? Zo zijn er wel meer geweest.
Maar nee, Christus is echt uit de dood opgewekt, geen twijfel aan.
Hij als eerste, en wij mogen volgen. Iedereen op zijn eigen tijd.
Als je een geliefd mens begraaft, dan zaai je als het ware zijn of haar vergankelijke lichaam (dat betekent : een lichaam dat vergaat) in de aarde.
En op de dag van de opstanding, dan mag je oogsten.
Dan zal dat vergankelijke lichaam aangekleed, overkleed worden met onvergankelijkheid, dus met een lichaam dat nooit meer zal vergaan.
Vers 50-58
Begrijp je het nu beter, vraagt Paulus? Zoals wij nu zijn, met dit lichaam, ja, logisch dat we zo geen deel kunnen hebben aan het geestelijke leven bij God.
Vlees en bloed zitten ons daarbij in de weg.
Maar als de bazuin klinkt, ten teken dat Jezus terugkomt, dan zullen alle mensen die dan nog leven ook zo’n heel ander soort lichaam krijgen, een onvergankelijk lichaam.
En met dat lichaam mogen we dan voorgoed bij God zijn, in het licht.
De dood is al verslagen, wij hoeven er nooit meer bang meer voor te zijn.
Want de dood is, na Jezus’ opstanding, nooit meer dezelfde geworden.
Door Jezus Christus hebben we de overwinning al in handen.
Dus ga vrolijk voort met elkaar als gemeente, doe het werk van de HEER en Hij zal het je lonen. En laat het geloof in zijn opstanding de basis zijn voor alles wat je doet.
Tenslotte
En zo is deze tekst ook bij ons terecht gekomen.
Het geloof in de opstanding van Jezus, en het geloof in onze eigen opstanding, dat is toch wat christenen over de hele wereld met elkaar verbindt.
De kracht die in Jezus werkte, die werkt nog steeds, ook in ons.
Als wij onze handen vouwen, en we bidden, dan doen we een beroep op die krachtbron.
En door die kracht kunnen ook wij opstaan, later, bij de terugkomst van Jezus, maar ook nu al, elke dag opnieuw. Opstaan uit donker en dood, uit alles wat ons eronder wil houden. We hebben de overwinning al in handen.
Niet dankzij onze eigen slimheid of door onze eigen krachtpatserij.
Maar dankzij wat Jezus voor ons heeft gedaan.
Het kan niet anders of dat verandert ons leven hier en nu.
Je kunt niet uitkijken naar het leven bij God en er ondertussen hier een potje van maken.
Je kunt niet geloven in de opstanding, en ondertussen hier blijven vastzitten in ongeloof, in twijfel, en onzekerheid.
Door die krachtbron aan te boren, die Jezus deed opstaan, kunnen ook wij geweldige dingen doen. Voor onszelf, voor anderen, voor elkaar.
Vandaag begint de Week van gebed voor de Eenheid van alle christenen.
Het is nodig om te bidden. We doen het misschien wel veel te weinig. We laten misschien een hele boel kracht ongebruikt liggen.
En bidden is dan niet per sé om van alles vragen, al mag ook dat.
Bidden is veelmeer je aansluiten op die krachtbron. En wanneer je dan alles hebt voorgelegd aan God, dan mag je het daarna loslaten in Gods handen.
En dan mag je erop vertrouwen dat Hij naar je luistert, dat Hij alles wat dood is in je leven wil omvormen tot nieuw leven. We hoeven het niet alleen te doen. Zijn kracht werkt in ons. We kunnen winnen met gevouwen handen. Amen.
Preek 8 januari ’12 1 Korinthe 6: 9-20
Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,
Inleiding
Dat was wel even schrikken voor u vanmorgen, denk ik.
Misschien had ik u even moeten waarschuwen.
Denkt u een mooie preek van mij te krijgen over de wijzen uit het Oosten, goud, wierook en mirre…krijgt u een pittige preek van Paulus over u heen.
Wat heet…pittig.
Hij roept schande over zijn gemeenteleden.
Wat hij allemaal niet van ze gehoord heeft, hij kan zijn oren haast niet geloven.
En of ze daar als de ….maar mee op willen houden, nu meteen.
Want anders kunnen ze de hemel wel vergeten.
Ik zeg het nu maar even in mijn eigen woorden.
Het zijn me de nieuw - jaars voornemens wel!
Geen oproep om minder te gaan eten of drinken.
Geen aansporing om te stoppen met roken of snoepen.
In plaats daarvan moeten we ophouden met overspel, seksverslaving en wisselende contacten. Nou nou, die Paulus durft!
En wij moeten oppassen dat we nu niet meteen denken dat het vandaag dus vooral over slechte mensen gaat, en lekker niet over ons.
Want wij zijn braaf, wij doen zulke dingen niet.
In de Katholieke kerk, ja, daar schijnen vreselijke dingen gebeurd te zijn op het gebied van seks. De kranten staan er vol van.
Maar wij…nee hoor. Wij doen zoiets niet.
Pas op, wij kunnen niet buiten schot blijven bij deze lezing.
Toen ik kind was dacht ik van wel. Ik hoorde hoe de dominee het oude avondmaalsformulier voorlas, met die hele lijst van zondaren die niet aan het Avondmaal mochten, misschien heeft u het ook wel gehoord:
echtbrekers, hoereerders, dronkaards, dieven, woekeraars, rovers, spelers, gierigaards, en al degenen die een ergerlijk leven leiden.
Weet u het nog?
En ik zat als kind in de kerk, en hoorde met afgrijzen aan dat er buiten onze veilige muren klaarblijkelijk zulke vreselijke mensen bestonden.
Maar gelukkig zat ik in de goeie kerk, bij ons hadden we zoiets niet.
Ja ja. Intussen weet ik beter. En daarom gaat deze preek ook over ons.
Al moest ook ik even slikken toen ik zag dat deze Schriftlezing op het rooster stond.
Ik heb er wel over gedacht om hem over te slaan.
Maar toen dacht ik:
vroeger werd in de kerk vooral benadrukt dat je zondig was en slecht, en dat willen we niet meer. Tegenwoordig wordt vooral benadrukt dat God liefde is en dat alles wel goed met je komt. Ikzelf doe daar ook graag aan mee.
Voor het juiste evenwicht is het misschien toch niet zo gek om, al is het maar 1 keer per jaar, eens te preken over hoe het leven van een gelovige eruit zou moeten zien.
Over levensheiliging, zoals ze dat in sommige kerken noemen.
En dan is het begin van het jaar niet eens zo’n gek moment om het daar eens over te hebben.
Context
Paulus is in de voorafgaande hoofdstukken al flink tekeer gegaan.
Allerlei vreselijke misstanden kwamen er in de gemeente voor.
Schokkende ontucht, iemand die hokte met de vrouw van zijn vader.
Daar moeten jullie niet je schouders over ophalen, zegt Paulus.
En hij vergelijkt een gemeente met een brooddeeg.
Een beetje gist erdoor en alles verandert in dat deeg.
Eén zo’n geval van ontucht, en het verandert de hele gemeente.
Probeer dat eens op onze gemeente toe te passen, dacht ik.
Als er dingen mis zijn in de gezinnen, bij mensen thuis, bij mij thuis, hoe beïnvloedt dat onze gemeente? Hebben wij daar last van?
Of halen ook wij onze schouders op?
En Paulus heeft nog iets gehoord van zijn mensen.
Het schijnt te gebeuren dat gemeenteleden die hun zin niet krijgen, naar de plaatselijke rechter stappen, en hun eigen mensen een proces aandoen.
Hoe halen jullie het in je hoofd, zegt Paulus. Jullie lijken wel gek!
Er zijn toch vast wel een paar wijze mensen bij jullie die een verstandig woord kunnen spreken? Kunnen die jullie niet helpen om de kwestie op te lossen?
Je gaat toch niet de vuile was van je broeder of je zuster buiten hangen?
Je zou nog liever onrecht moeten lijden dan op zo’n manier je gelijk halen.
En ik denk aan de gevallen van misbruik waarover we horen.
Als er, zodra zoiets bekend was geworden, een wijs mens eens maatregelen had genomen. De dader bestraffend had toegesproken. Het slachtoffer getroost en bescherming had geboden. Dan was het misbruik gestopt, dan waren de slachtoffers misschien niet met een levenslang trauma opgescheept, dan waren de daders tegen zichzelf en hun verkeerde neigingen beschermd.
Ach…en het komt steeds weer voor. In de RK kerk, maar ook in onze eigen kerk.
En soms is de gang naar de rechter de enige weg om je recht te halen.
Maar het is een schande dat het soms zo moet.
Trouwens, in de kerk zou onrecht al helemaal niet voor moeten komen.
Wij weten toch beter, ook al zijn we niet beter dan een ander?
1 Kor. 6: 9
En dan komt het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen.
Hoe halen jullie het in je hoofd om dat soort dingen te doen, zegt Paulus.
Vroeger, voordat jullie geloofden in God en in Jezus, ja, toen…
Toen wisten jullie niet beter.
Maar nu…ik begrijp het niet. Jullie zijn toch gedoopt!
Paulus heeft een geweldige afkeer van de hele zwijnenstal van die stad Korinthe.
Een echte havenstad, met overal hoerententen. Overal reclame voor sex, overal porno, om de mannen aan te moedigen een bezoekje aan een sexshop te brengen. Het Amsterdam van nu is daar niks bij, vergeleken bij die stad Korinthe.
Maar Paulus vindt het onverteerbaar dat mensen die door de doop zijn heengegaan, en dat zijn de leden van de gemeente, allemaal,…
dat die tegelijk ook nog naar porno kijken en naar de hoeren gaan.
Gods rijk en het rijk van Gods vijand, dat zijn twee zo verschillende gebieden, die hebben niks met elkaar gemeen, zegt hij.
Wie voor de ene oever kiest, kan niet tegelijk op de andere oever lopen.
Je kunt niet van twee walletjes eten. Je kunt geen twee heren dienen.
Je behoort God toe als je gedoopt bent, met lichaam en ziel.
Betekent dat dat zondaars niet in de hemel kunnen komen?
Integendeel, Jezus zegt ergens dat hoeren en tollenaars er misschien nog wel eerder in komen dan wij. Maar dan moet er wel iets veranderen in hun leven. Ga heen, zondig niet meer, zegt Jezus tegen de overspelige vrouw.
Iedere hoerenloper kan dus in de hemel komen, maar alleen als hij door de kracht van zijn doop stopt met een hoerenloper te zijn.
Iedereen die aan sex verslaafd is kan in de hemel komen, maar alleen als hij door de kracht van het geloof probeert te stoppen met die rommel.
Jullie zijn toch afgewassen, roept Paulus de gemeenteleden toe, jullie zijn toch geheiligd, gerechtvaardigd…hij vindt haast geen woorden meer.
Vrij
Het schijnt dat er daar mensen waren in Korinthe, gemeenteleden nota bene, die beweerden dat het niet zo belangrijk was wat je deed met je lichaam.
Dat was iets dat toch weer zou vergaan als je dood ging.
Je ziel, je geest, daar ging het om. Als je daar maar veel zorg aan besteedde.
Paulus spuugt bijna vuur, als hij dat hoort.
Weet je wel dat je lichaam een tempel is waarin de Heilige Geest woont, zegt hij.
Weet je wel dat jouw lichaam een deel is van het lichaam van Christus zelf?
Alleen daarom al moet je het met respect behandelen.
En ik denk, in onze tijd, aan de vele reclames, waarin het lichaam gebruikt wordt om een product beter te verkopen. Is dat geen misbruik?
Geen autoreclame of er zit wel een sexy vrouw op de motorkap.
Allerlei producten, van boter tot chocola, worden gepresenteerd door verleidelijke vrouwen of mannen, die suggereren dat je door hun boter te smeren of hun chocola te eten, net zo verleidelijk zult worden als zij.
Wat zou Paulus ervan gezegd hebben?
Het is niet zo dat Paulus verbiedt om van het leven te genieten, helemaal niet.
En het is ook niet zo dat Paulus hecht aan vaste regels en aan wetjes en verboden.
Helemaal niet. Hij is juist de man die zegt: iedereen is vrij, want Christus heeft ons vrij gemaakt.
Onderscheid tussen mannen en vrouwen valt weg, zodra je gedoopt bent.
Slaven en vrije mensen zijn gedoopt in dezelfde Heer, bevrijd van dwang en bevrijd van alles wat je in zijn greep hield. Laat dan ook zien dat je vrij bent.
Maarre, even voor de goeie orde…niet vrij om te rotzooien natuurlijk, maar juist vrij van de rotzooi. Niet van God los, maar vrij in God.
Wat Paulus hier doet is scheppingswerk in Godsnaam: net zoals God in den beginne het water scheidde van het droge…
Net zoals God orde schiep in de chaos, zo probeert ook Paulus een scheidslijn aan te brengen tussen het leven van vroeger, voordat zijn mensen God kenden. Een leven waarin ieder deed wat goed was in zijn eigen ogen…
En het nieuwe leven waarin ze sinds hun doop zijn terecht gekomen. Dat moet er anders uitzien dan hun oude leven. Anders klopt er iets niet.
Voor de meesten van ons is er niet zo’n duidelijke scheidslijn. De meesten van ons hebben altijd al bij de kerk gehoord, bij God gehoord. Het moment van keuze lag dus voor de meesten van ons lang geleden, bij het belijdenis doen misschien?
Maar dat maakt niet uit. Ook wij moeten ons dagelijks vrij laten maken van allerlei zonden die ons aankleven. Van negativiteit, van boosheid, van laksheid in het geloof.
Als je niet aan je manier van leven kunt zien dat je bij Christus hoort, heb je dan wel ooit echt een keuze gemaakt voor hem? En zo niet, doe het dan vandaag nog!
Tenslotte
En zo stuitert die oproep van Paulus weer onze kerk binnen.
We zijn, juist door wat Christus heeft gedaan, vrij van allerlei regels en wetten.
Zeker, maar niet vrij om te rotzooien, integendeel, juist vrij van de rotzooi.
Niet van God los, maar vrij in God.
Onze wereld is vol met verleiding, in bijna alle films wordt overspel gepleegd, wordt gemoord, wordt reclame gemaakt met behulp van bloot, worden we aangespoord om verleidelijk te zijn en sexy.
Alsof daar alles om draait, alsof we daar gelukkig van worden.
Alsof we daar God gelukkig mee maken.
Hoe is het met ons gesteld? Wat zou Paulus aan ons schrijven?
Ook onder kerkmensen komt verslaving voor, aan sex of aan het kijken naar porno.
Maar ook aan eten, aan drinken, aan snoepen, aan roken.
Sommigen zijn verslaafd aan mopperen, aan boos zijn en boos blijven…
Wie van ons is er helemaal vrij van slechte gewoontes? Niemand toch?
Het is weleens goed en misschien hard nodig dat wij weer eens te horen krijgen dat ons lichaam een tempel is waarin de Heilige Geest wil wonen.
En dat wij er daarom met respect mee moeten omgaan.
Wij willen die Geest van God toch geen krot aanbieden, een volledig uitgewoond kraakpand? Alles is ons toegestaan, riepen sommigen van de gemeenteleden uitdagend. Zeker, roept Paulus terug, maar niet alles is goed voor jullie.
Zo, één – nul voor Paulus.
Want we weten in ons hart wel dat Paulus gelijk heeft natuurlijk.
Vandaag een oproep van hem aan ons om weer ernst te maken met een gezonde, christelijke levensstijl.
Het moet aan ons te zien zijn dat wij bij de kerk horen. Dat wij bij Christus horen.
Wij zijn natuurlijk geen haar beter dan de anderen, maar wij weten wel beter.
Jullie zijn gekocht en betaald, zegt Paulus.
Je leven behoort niet jezelf toe, maar het behoort aan God.
Laat dat te zien zijn!
Amen.
Preek 1 januari 2012 Numeri 6: 22-27; Lk. 2: 21
Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,
Inleiding
Met taal kun je heel veel doen en heel veel zeggen.
En soms heeft wat iemand zegt een dubbele bodem.
Dan betekent het iets anders, of nog iets meer, dan wat iemand echt zegt.
Een voorbeeld:
Als je met de trein reist, en de conducteur komt binnen, dan zegt hij of zij vaak: goede morgen of goede middag. Trouwens, ook de ouderling van dienst zegt dat aan het begin van de mededelingen altijd: goede morgen gemeente. En dan zegt bijna niemand iets terug. Iedereen denkt: o ja, het begin van de mededelingen. Alleen mevrouw Koers zegt geloof ik altijd een vriendelijk goeiemorgen terug. Zo is het ook met de conducteur als hij binnenkomt. Let op, bijna niemand zegt dan: ook goeiemorgen of ook goeiemiddag. Nee, de meeste mensen grabbelen naar hun kaartje.
Dat is hun antwoord op de groet van de conducteur.
Ze horen wel “goeiemiddag”, maar ze vertalen dat als: mag ik uw kaartje even zien? En misschien bedoelt de conducteur dat ook wel. Maar dat zegt hij niet.
Sommige mensen ervaren op die manier de zegen, aan het einde van de dienst.
Ze horen wel: laten we van hier gaan met de zegen van onze God, maar ze vatten dat op als: o, de dienst is voorbij. Ze interpreteren het als het signaal dat ze hun jas moeten aantrekken. Hun tas vast moeten inpakken. Ik ben er altijd een beetje onthutst van.
Waarom die haast? Die jas komt wel. Die tas loopt niet weg.
De zegen is misschien wel het belangrijkste deel van de dienst.
Ga er eens goed voor staan, om die gelovig te ontvangen.
De Naam 1
Vandaag is het de eerste zondag van het jaar 2012.
Het is goed om hier te zijn en dit jaar samen te beginnen.
En we zijn al begonnen met het belangrijkste: onze hulp is in de Naam van de Heer.
Ook weer zo’n vaste formule die je kunt opvatten als: o, de dienst is begonnen.
Maar het is veel meer dan dat.
Als we in de Naam van de HEER samenkomen, dan stellen we ons onder zijn bescherming. Onder zijn leiding. Zijn Naam is als een tent waaronder wij schuilen.
En een Naam is belangrijk. Belangrijker dan je soms denkt.
Als je op vakantie bent, met een busreis mee, dan moet je na een pauze goed opletten in welke bus je stapt. Bij wie moet je zijn, vraagt de chauffeur. En dan noem je de Naam van je reisorganisatie. O, dan moet u daar zijn, zegt de chauffeur. En dan ga je daarheen, want je wilt niet in de verkeerde bus stappen. Samen uit met een bepaalde chauffeur, samen thuis.
Zo zit het ook met de Naam van de HEER. Daar ben je mee begonnen, zijn Naam prijkt op je voorhoofd (ps. 80:7). En dus blijf je ook bij Hem. Samen uit, samen thuis.
De Naam 2
Vandaag gaat het over de naam van de Heer.
Die Naam waarmee wij elke dienst beginnen.
In die Naam moet Aaron het volk zegenen, staat in het boek Numeri.
We hebben het gelezen.
Hij moet de Naam van de Heer op de Israelieten leggen en zo zal God hen zegenen.
Een naam is niet zomaar iets. Die hoort bij je. Die bepaalt je identiteit.
Gods Naam past bij Hem: ik zal er zijn, betekent zijn Naam. Ik zal erbij zijn.
Daarom hebben we ook psalm 8 gezongen. Want die gaat daarover.
Heer onze Heer, hoe machtig en verheven, hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven.
Als iemand onze naam niet kan onthouden, is dat erg vervelend.
Je voelt je niet gezien. Alsof je niets waard bent. Zo is dat met Gods Naam ook.
Daar moeten we niet slordig mee omgaan. Hij is de HEER.
Toen wij gedoopt werden is onze naam genoemd samen met de Naam van de Here God.
En zo zijn die twee namen bij elkaar gaan horen, die van u, van jou, en die van God.
Eind van deze maand, de 29ste, zal er weer een kind gedoopt worden, de kleine Mélanie.
Ze is de tweede dochter van Jeroen en Martine Ooms. En dan zullen we dat wonder weer ervaren:
het noemen van die twee namen die voorgoed bij elkaar horen.
Vervuld
In de lezing uit het evangelie lazen we dat Jezus zijn naam ontvangt.
Op de achtste dag, die dag die eigenlijk niet bestaat.
Want wij hebben er maar 7, en dan beginnen we van voren af aan.
Maar nee, in de Bijbel heeft alles een dubbele bodem.
En in de eerste 2 Hoofdstukken van zijn Evangelie zegt Lucas 8 keer dat iets helemaal vervuld is. Vervuld, een ouderwets woord, dat in de NV niet meer gebruikt wordt.
Maar ik denk dat Lucas het niet toevallig gebruikt heeft. En dan 8 keer! Telt u mee?
- Van Johannes wordt gezegd dat hij vervuld zal worden met de heilige Geest (Lk.1:15).
- Van Elisabeth staat er dat ze vervuld wordt met de heilige Geest, als ze de groet van Maria hoort (1:41)
- Zacharias wordt vervuld met de heilige Geest als zijn zoon is geboren en hij heft een lofzang aan (1:67)
- Tot nu toe ging het over mensen die vervuld raken. Maar nu lezen we dat ook de tijd vervuld wordt. Alles gebeurt als God het de tijd ervoor vindt. Als de tempeldienst voor Zacharias voorbij is, als die bepaalde dagen vervuld zijn, staat er in het Grieks, dan gaat hij naar huis en na die dagen wordt zijn vrouw zwanger. Dan pas! Alsof er een gong in de hemel heeft geklonken: het is zover, de tijd die nodig was, is vol, is vervuld (1:23)
- Toen voor Elisabet de dag van haar bevalling was aangebroken, toen haar tijd vervuld was, staat er in het Grieks, bracht zij een zoon ter wereld (1:57).
- Ook van Maria staat er in het Grieks dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou. De dag van haar bevalling brak aan, zegt de nieuwe vertaling nuchter (2:6).
- Toen er acht dagen na Jezus’ geboorte verstreken waren werd hij besneden, zegt de NV. Maar in het Grieks staat weer dat woord: toen 8 dagen vervuld waren, moesten zij hem besnijden (2:21)
- En tenslotte staat er nog dat Jozef en Maria na 40 dagen naar Jeruzalem gingen, om hun zoon aan de HEER op te dragen, of voor te stellen. Zolang duurde het voor een vrouw weer rein verklaard werd, na een geboorte van een zoon. En ook daar zegt Lucas dat de dagen hunner reiniging vervuld waren. Dat kan niet toevallig zijn. Acht is meer dan zeven. En 7 is al volmaakt, is alles. Er zijn zeven scheppingsdagen. En op die zevende dag rustte God van alles wat Hij gemaakt had. Er zijn 7 Geesten voor Gods troon, staat er in het boek Openbaringen (5:6). Zeven staat voor de volheid van de tijd, maar 8 is het getal van de eeuwigheid. De tijd die nooit meer ophoudt. Dan is echt alles vervuld.
Ik dacht eraan dat ook een toonladder 8 tonen heeft. Als er maar 7 zijn is de toonladder niet af. Niet vol. Dan wordt de belofte van muziek niet vervuld.
Dan blijft het in de lucht hangen en wil maar niet landen.
Do-re-mi-fa-sol-la-si……do. Dat ontbreekt er nog aan. De achtste dag. De zoon die op de 8ste dag besneden wordt en zijn naam krijgt. Het jaar van onze Heer is aangebroken.
Zonder Hem is alles onaf. Als een toonladder zonder do!
De zegen
En daarom beginnen we elke dienst in de Naam van de HEER.
En daarom zegenen we altijd in zijn Naam, met die oude zegen van Aäron.
Ik zei het eens tegen een stel dat ging trouwen, dat de zegen die ik hen zou opleggen, al meer dan 4000 jaar oud was.
Ze keken me ongelovig aan, en de jonge man, die goed thuis was in de bijbel, zei: dat kan toch helemaal niet. Zo oud is de hele kerk nog niet eens.
Ha, goed nagedacht, zei ik.
Maar de zegen die ik bedoel, die ik altijd aan het einde van de dienst uitspreek, die is al van voor het ontstaan van de kerk. Die is al door God aan zijn mensen gegeven in de tijd van Aäron. En die leefde waarschijnlijk zo’n 4000 jaar geleden.
We hebben ervan gelezen in het boek Numeri, waar de levieten de Naam van God op de mensen moeten leggen. Zo staat het er in het Hebreeuws. Op de mensen leggen. En dat is mooier dan wat de NV zegt: de Naam van de Heer over het volk uitspreken.
“Leggen op” is duidelijker. Je legt je hand op iemands hoofd en daarmee wordt de naam op iemands hoofd gelegd.
Ik deed het in de viering met de deelnemers van de donderdagavondclub. De mensen met een verstandelijke beperking, zoals wij dat noemen. Dat zijn mensen, dacht ik, die misschien niet begrijpen dat, als ik mijn handen ophef, en ze van een afstand zegen, dat ik dan dat bedoel, dat God ze zegent. Dat God zijn Naam op hen legt.
En dus liep ik naar ze toe en legde hen de handen op. En ze werden helemaal stil en eerbiedig.
Ze bogen hun hoofd en hielden goed in de gaten of ik ze niet oversloeg.
Tenslotte
Het ontroerde me enorm. Ze wilden zo graag gezegend worden.
Terwijl wij er, in de kerk,zo aan gewend zijn, aan die zegen, dat we onze jas vast gaan aantrekken en onze tas gaan inpakken als de dominee zegt dat er gezegend gaat worden.
Jezus legde mensen graag de handen op.
Hij zegende de kleine kinderen en legde ze zijn handen op het hoofd.
Als Hij op 25 december vorig jaar zou zijn geboren, dan is het vandaag de 8ste dag!
Dan zou die besnijdenis en de naamgeving vandaag hebben plaatsgevonden.
De tijd van mensen kent maar 7 dagen.
De 8ste dag is van God. Het is een dag dat de hemel de aarde aanraakt.
Het is de ‘do’ die de toonladder van de hemelse muziek volmaakt.
Met Jezus is een weg voltooid. De tijd is vervuld.
De geschiedenis van God met mensen vindt haar bestemming.
Maar die geschiedenis stopt niet met kerst.
Zoals het leven van een baby niet stopt op het moment dat hij geboren wordt.
Alles moet nog beginnen.
Toen het kind zijn naam kreeg, Jezus, begon hij aan zijn taak, zijn roeping.
Zo is ook onze roeping begonnen, toen wij onze naam kregen.
Bij de doop werd Gods naam over die van ons heen gelegd.
We zijn gesteld onder de heilige Naam.
En dat betekent niets meer of minder dan dat we nooit dieper kunnen vallen dan zijn handen. Het betekent niet dat bevrijding en redding zonder pijn en strijd tot stand komen.
Dat weten wij allang. Dat heeft ook Jezus ondervonden, Hij die redt.
Door het donker van de dood heen.
Als je Jezus heet, (God redt), dan moet je wel bevrijdend leven, om je naam waar te maken.
En wij, wij zijn naar Hem genoemd. Dat is spannend. Als wij zeggen dat wij christenen zijn, dan worden onze naam en die van Hem op elkaar gelegd. En als we bidden in zijn naam, dan ontkomen we er niet aan om die Naam ook waar te maken.
Dan mogen ook wij redders worden van elkaar.
Dan mogen we gaan onder de bescherming van de Naam.
Daartoe zegene ons de Almachtige God, Vader, Zoon en heilige Geest.
Amen.
Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,
De afgelopen weken hebben we verhalen gehoord over Richters.
Het waren sterke mannen of vrouwen die het land uit de nood moesten redden.
De verhalen wezen vooruit.
Naar het verhaal van vandaag. Want er is een Redder geboren.
In de tijd van de Richters klonk de roep om iemand die orde op zaken zou stellen.
Iemand die er voor zou zorgen dat alles weer goed kwam.
Er is nog niet veel veranderd.
Ook wij roepen om een sterke man of vrouw die de crisis komt oplossen.
Barack Obama, Angela Merkel, Mark Rutte.
Zorgen zij ervoor dat wij weer onbezorgd kunnen leven?
Misschien…
Misschien kunnen zij de euro redden.
Misschien kunnen zij de werkloosheid terugdringen.
Misschien kunnen zij maatregelen nemen om het milieu beter te beschermen.
En dan?
Zullen we dan gelukkiger worden?
Zullen er minder eenzame mensen zijn?
Zullen we elkaar dan van harte gaan liefhebben en de hemel op aarde stichten?
Een Redder
Ik ben bang van niet.
Dan moet er toch echt nog wat anders gebeuren.
Dan moet ons hart eerst veranderen.
En wie zou dat kunnen? Wij zelf in elk geval niet.
Als we eerlijk zijn, weten we dat intussen wel.
We hebben net het kerstevangelie gelezen.
Daarin zegt de engel tegen de verschrikte herders:
in de stad van David is voor jullie een Redder geboren.
Een Redder.
Dat is mooi en goed nieuws voor de herders.
Want die hadden een zwaar leven en ze keken uit naar een redder.
Maar wij?
Stel je voor dat ze tegen ons zouden zeggen: in een dorp verderop, in Lijnden of in Zwanenburg, daar schijnt een heel bijzonder kind te zijn geboren, een kind dat ons gaat redden…Wat zouden wij dan zeggen, wat zouden wij doen?
Zouden wij erheen gaan? Willen wij wel graag gered worden?
En waarvan moeten wij in ’s hemelsnaam gered worden?
Wij redden onszelf toch heel aardig?
En toch…
Maar als wij geen behoefte hebben aan een Redder, wat doen wij dan in de kerk?Want wij vieren vandaag de geboorte van Eén die ons wil redden. Zijn we hier alleen omdat dat er nu eenmaal bij hoort op kerstmorgen? Is dat allemaal nostalgie, verlangen naar knus en gezellig en net-als-vroeger?
Of zit daar toch een diep verlangen onder bij ons, goed verstopt, maar toch…
Een verlangen om eens opnieuw te kunnen beginnen…
Een verlangen naar echte vrede, niet alleen op aarde, maar ook in je eigen hart?
Een verlangen om goed te zijn! Want hoe vaak val jij jezelf niet tegen?
Hoe vaak schaam je je voor iets wat je denkt, voor iets wat je zegt.
En je zegt tegen jezelf: ben jij nou een christen?
Je weet dat het niet goed is om anderen gemakkelijk te veroordelen.
En toch doe je het steeds weer, je zou er moedeloos van worden.
Je weet dat het goed is om regelmatig bezig te zijn met het geloof…
Dat het goed zou zijn als je elke dag uit de Bijbel zou lezen…
Dat het belangrijk is om te bidden…
En toch…zo vaak lijkt alles belangrijker dan dat.
Zo vaak gaan er dagen of zelfs weken voorbij zonder dat je één keer aan God hebt gedacht. En je schaamt je, en je maakt goede voornemens. Zondag ga je weer eens naar de kerk.
Tenslotte
Ik woonde laatst een discussie bij tussen een dominee en een imam.
De dominee sprak vurig over Jezus en dat die zuivere liefde was komen brengen.
De imam voelde zich in het nauw gedreven en zei: en toch is onze Mohammed beter.
O ja, zei de dominee? Laat maar zien dan, wie lopen er in onze stad met collectebussen langs de deuren? Moslims of christenen?
Wie zamelen er geld in voor de voedselbank? Meer moslims of meer christenen?
Wie zetten zich in voor de wereldvrede? Moslims of christenen?
Laat maar zien, bewijs maar dat het werkt, de ideeën van jullie leider.
Ik moet daar de hele week al aan denken.
Laat maar zien dan…wat laten wij zien?
’s Zondags in de kerk, en door-de-week, op ons werk, of thuis?
Jezus is geboren, als Redder voor de wereld.
Misschien weet God wel beter dan wij waarvan wij gered moeten worden.
Er is een kind geboren. Het zuivere van een kind ontroert de meeste mensen.
En als ik op kraamvisite ben, en de moeder of de vader vraagt: wil je hem even vasthouden, dan springt mijn hart op van vreugde.
Misschien heeft Maria wel aan één van de herders gevraagd: wil je hem even vasthouden? En daar zat die stoere herder dan, met Jezus in zijn armen.
Jezus wordt in onze handen gelegd.
God vraagt: wil je hem even vasthouden.
En we kijken Hem in de ogen en we voelen ons geraakt.
Hij is nog klein, nog kwetsbaar en weerloos.
Wij moeten Hem koesteren, Hem behoeden, zijn boodschap beschermen.
Zijn boodschap van licht en vreugde en vrede met God, voor alle mensen.
Die boodschap is nog in doeken gewonden, omhuld, nauwelijks te zien.
Maar het zal groeien, als wij het aanvaarden, en vasthouden, en koesteren.
We hebben de Koning gevonden.
Hij is de Redder.
Geen sterke man, geen krachtpatser, geen Simson met spierballen.
Maar een kind, kwetsbaar en weerloos.
In onze handen gelegd.
Wij mogen hem vasthouden.
En als we dat doen, dan zal Hij ons redden.
Want zijn naam is Jezus, Redder. Amen.
Inleiding
We hebben de verhalen weer gelezen.
Van Maria en Jozef, en het kind in de kribbe.
Van de wijzen uit het oosten, die Jezus zoeken en ook vinden.
Wat is er toch zo aantrekkelijk aan deze verhalen?
Zo aantrekkelijk dat ook mensen die anders nooit naar de kerk gaan,
op kerstavond wel gaan?
Is het alleen nostalgie, zoals sommigen zeggen?
Zo’n mooi sfeertje in de kerk, leuk met die lichtjes, trompetgeschal van de toren?
Of zit er meer achter?
Hebben veel mensen toch een soort oerverlangen:
dat één keer per jaar alles goed komt?
Dat het kind veilig en wel geboren wordt.
Dat de wijzen het kind vinden en het doel van hun tocht bereiken?
Willen wij dat ook?
Ikzelf hoop altijd vurig dat de verhalen ons nog steeds iets doen!
Dat we ze niet alleen aanhoren en dan weer onveranderd naar huis gaan.
Ik hoop vurig dat de verhalen ons in beweging zetten.
Dat een oerverlangen, dat in ieder mens zit, aangewakkerd wordt.
Zo, dat ook wij op zoek willen gaan naar dat goddelijk kind.
Hoe dan?
Door Hem te zoeken, daar waar hij te vinden is.
En dat is altijd op de plaatsen waar mensen onrecht proberen recht te zetten.
Daar waar zieken met liefde worden verzorgd.
Jezus is te vinden in het gezicht van iemand die lijdt onder honger of dorst,
en die ons aankijkt: wil jij mij helpen?
Jezus is te vinden in Bosbeek, waar dementerende ouderen met respect worden behandeld. Ik raak daar altijd van onder de indruk.
Ik ervaar iets van Jezus als de bewoners van de gezinsvervangende tehuizen in ons dorp hier in de kerk komen, om samen de geboorte van Jezus te vieren.
Als ze zich uitstrekken naar de zegen, de hand op hun hoofd, springen de tranen me in de ogen. O God, denk ik dan…
Ik ervaar iets goddelijks in de vieringen op de Cruquiushoeve, waar kwetsbare mensen zich verblijden in de aandacht, een beetje liefde.
Ik vind Jezus in de huizen waar verdriet is, om een geliefde die er niet meer is.
Op al die plekken, daar laat Hij zich vinden.
Doe wat u kunt om te doen wat Jezus deed toen Hij volwassen was geworden,
en U zult Hem overal vinden.
En zo zal uw diepste verlangen eindelijk vervulling vinden.
Zo zal ook uw levensreis zijn doel bereiken.
Doe zoals de vierde wijze deed.
Het verhaal van de vierde wijze
Dit gaat over Artaban, een jonge edelman.
Hij was bevriend met 3 sterrenkundigen: Caspar, Melchior en Balthasar
Op een nacht zagen de 3 wijzen een bijzondere ster.
Ze wisten meteen: hier is een oude profetie in vervulling gegaan.
Deze ster betekent dat er in het westen, in het land der Joden, een koning is geboren. Ze reisden meteen af, om die koning te zoeken.
Artaban mocht ook mee, en hij verkocht alles wat hij had om een bijzonder cadeau te kopen voor de nieuwe koning. Een hemels blauwe saffier, een rode robijn en een sneeuwwitte parel.
Hij reisde ook af, maar op één of andere manier miste hij de afspraak met de wijzen. Onderweg werd hij namelijk steeds opgehouden.
Er was een gewonde man en die moest hij wel helpen.
Om te betalen voor de verzorging van de gewonde gaf hij zijn blauwe saffier weg.
Na weken kwam hij aan in Bethlehem. Daar bleef de ster stil staan. In een huis huilde een baby en Artaban dacht vol vreugde dat het einde van zijn reis in zicht kwam. Een vrouw deed open, maar ze had gehuild en zag er bezorgd uit. Ze vertelde hem dat er in dit dorp inderdaad enige tijd geleden een kind was geboren en dat zijn ouders hem Jezus hadden genoemd. Er ging een gerucht dat dit kind later koning zou worden.
Maar Herodes, die nu koning was, had het ook gehoord, en nu had hij zijn soldaten uitgestuurd om alle jongetjes te doden. Zo bang was hij dat er iemand koning zou worden in zijn plaats. Op dat moment werd er op de deur gebonsd en de baby begon te huilen. Artaban bedacht zich geen moment. Hij haalde de robijn, zo rood als bloed, tevoorschijn en gaf die aan de soldaat, zodat die de baby met rust zou laten.Nu had hij alleen de parel nog maar.
In het dorp hoorde hij dat de ouders van Jezus naar Egypte waren gevlucht en dus zat er niets anders op dan daarheen te gaan. Artaban wilde per sé die koning vinden. Hij vermoedde dat hij bij hem het geheim van het leven zelf zou vinden.
Maanden gingen voorbij, jaren zelfs. Nergens vond Artaban een spoor van het kind.
Hij werd oud, maar hij gaf niet op.
Zo’n dertig jaar later was hij toevallig in Jeruzalem. Het was er erg druk.
Veel mensen waren naar de stad gekomen om het Paasfeest mee te vieren.
Artaban genoot van de muziek en de gezellige drukte.
Maar plotseling schrok hij. Er stond een meisje, ze huilde. Haar handen waren achter haar rug vastgebonden, en een man stond erbij en bood het meisje te koop aan.
Artaban kon het niet aanzien, en zonder aarzelen kocht hij het meisje vrij, met het enige wat hij nog had: de sneeuwwitte parel
Op dat moment werd het druk op straat. Er liepen schreeuwende mensen, die met stokken zwaaiden. Ze riepen: opzij, opzij, hier is Jezus, de koning der Joden. Twee soldaten sleurden een man met zich mee. Zijn hoofd bloedde, omdat ze hem een kroon van doorntakken hadden opgezet. Artaban dacht dat zijn hart stilstond. Hij wrong zich naar voren en … stond oog in oog met de gevangene.
Hij keek hem recht aan en Artaban wist: dit is Hem naar wie ik al mijn hele leven op zoek ben.
Hij zei: ik dacht dat U koning zou worden, maar nu gaan ze U doden.
Ik weet het, zei Jezus. Maar ik ben bereid.
Verdrietig zei Artaban:
jaren geleden had ik 3 kostbare juwelen.
Daarmee had ik U kunnen vrijkopen.
Maar nu heb ik niks meer.
Je hebt ze goed besteed, zei Jezus.
Niets is belangrijker dan de gezondheid van een man, het leven van een baby en de vrijheid van een meisje. Meer kon Jezus niet zeggen.
De soldaten trokken Hem met zich mee en Artaban zag door de geopende poort 3 kruisen staan.
Maar hij hoorde nog net hoe Jezus vanuit de verte riep:
door te zoeken heb e het geheim van het leven - zelf gevonden.
Jij hoeft mij niet vrij te kopen, Artaban.
Ik heb jou vrijgekocht.